Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
22
worden ook in het hchaam en wel in de spieren, die arbeid
verrichten, voedingsstoffen verbrand. Het voedsel staat in
nauw verband tot den arbeid. Dieren, gevoed met stoffen
die weinig eiwit bevatten, zullen niet zoo lang en zooveel
kunnen arbeiden als dieren, die een eiwitrijk voedsel ont-
vangen. Het eiwit zet zich voornamelijk in de spieren af.
Door den arbeid slijt het eiwit in de spieren. Krijgen de spieren
nu geen vergoeding, dan blijven zij niet in een goeden staat
en kunnen dus niet voldoenden arbeid verrichten. Geeft
men een dier waterig, weinig eiwithoudend voedsel, dan
krijgt het een slap lichaam zonder kracht. Een dier moet
krachtvoeder hebben, zal het in goeden staat blijven en den
arbeid kunnen volhouden. — Ook op den aard van het dier
oefent het voedsel invloed uit. Dieren, welke geregeld kracht-
voeder ontvangen, zijn veel vuriger dan dezulken, die met
weinig eiwit te vreden moeten zijn.
Verricht een dier weinig of geen arbeid, zoo worden de
voedingsstoffen niet genoeg omgezet, verbruikt, en daarom
moet men in dergelijke gevallen niet zooveel eiwit geven,
omdat daardoor ophooping kan ontstaan van gedeeltelijk ver-
brand eiwit, hetgeen storend op de gezondheid werkt. Voe-
dingsstoffen, waarin weinig eiwit, maar veel vet en andere
stoffen voorkomen, zijn in zulke gevallen beter geschikt,
omdat vet en andere stoffen gemakkelijker verbranden. Uit
dit alles leert men, dat de kracht afhangt van de stofwis-
seling. De spieren zelf komen echter ook in aanmerking.
De kracht der spieren hangt af van hunne dikte. Er zijn
lange en korte spieren. Hoe langer de spier is, des te grooter
is de geheele samentrekking en daardoor zal de beweging
groot zijn der beenderen, die door zulk een spier zijn ver-
bonden. De spier zelf kan in eene andere zelfstandigheid,
namelijk in vet, overgaan, als zij lang onwerkzaam blijft.