Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
in zeker voedsel eene bepaalde stof b.v. eiwit in ruime mate
voor, zoo zal er ook veel van in het bloed worden opgeno-
men. Het lichaam wordt niet alleen door het bloed, maar
ook door het sap gevoed, dat in de verschillende weefsels
aanwezig is. Wilt gij weten, wat een weefsel is, neemt
dan een stuk mager vleesch. Gij kunt het vleesch splijten
in een groot aantal bundels, welke op nieuw gesplitst kunnen
worden in een aantal vezels. Deze vezels nu, tot groepen
vereenigd, noemt men weefsels. Er worden in het lichaam
verschillende weefsels gevonden als: vetweefsels, spier- of
vleeschweefsel, beenweefsel, bindweefsel enz. Een gedeelte
nu van de bloedvloeistof en van de daarin opgeloste stoffen
gaat door den dunnen wand der haarbuisjes heen en komt
in de weefsels, die reeds vocht bevatten. Dit vocht nu
wordt weefselsap genoemd en is het eigenlijke voedingsvocht.
De hoedanigheid en de hoeveelheid van dit vocht hangt af
van de stoften, welke als voedsel in het spijskanaal zijn
gebracht. Is het dier mager, dan komt in het vleesch veel
water voor en weinig eiwit, vet enz., terwijl in het vleesch
van een goed gevoed dier weinig water en veel van de ge-
noemde stoffen voorkomt. Het dier voedt zich met de stoffen,
welke in het bloed en in de weefsels voorkomen; deze stoffen
en ook de weefsels zeiven ondergaan eene bestendige ver-
andering , welke men stofwisseling noemt. Door aanvoer uit
het darmkanaal vermeerderen die stoffen in het bloed, maar
verminderen weer, door dat ze aan de weefsels worden afge-
staan. Het bloed verandert dus onophoudelijk en zelfs wordt
een gedeelte van zijne bestanddeelen verbrand door de zuur-
stof, welke het bloed in de longen heeft opgenomen.
Sommige stoffen door het dier opgenomen, ondergaan weinig
of geen verandering, maar bevorderen de stofvnsseling. Dit
is met het water het geval, dat de vertering en opzuiging