Boekgegevens
Titel: De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Auteur: Kars, A.
Uitgave: Gorinchem: J. Noorduyn & Zoon, 1889
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 5142
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205740
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: zoötechniek, veeteelt: algemeen
Trefwoord: Veeteelt, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   De landbouwdieren: een leesboekje voor de hoogste klasse der volksschool en voor het herhalingsonderwijs
Vorige scan Volgende scanScanned page
9
De maag is eene verwijding van den slokdarm, die in den
hals boven de luchtpijp en in de borstholte boven de longen
loopt en door het middenrif heen borende in de buikholte
komt. Op de maag volgen de dunne darmen, waarvan het
eerste onmiddelijk op de maag volgende deel twaalf vingerigen
darm heet! Op de dunne darmen volgen de dikke, nog on-
derscheiden in blindendarm: karteldarm en endeldarm. Nu
wij kennis genomen hebben van hetgeen in de borst en buik-
holte der koe gevonden wordt, kunnen wij overgaan tot:
De Spijsverlei'iiig.
Het voedsel moet in de mondholte worden gebracht. Terwijl
het paard en het schaap vooral gebruik maken van de lippen
is bij de koe bovenal de tong behulpzaam. Het eerstge-
noemde dier neemt het gras met de lippen op en snijdt het
met de snijtanden af. De koe heeft echter in de bovenkaak
geen snijtanden. ZLj omvat het gras met de tong en door
de snijtanden der onderkaak tegen de tong te drukken wordt
het voedsel afgesneden. De lippen van het schaap zijn zeer
beweegbaar vooral de bovenlip, waarmee het het gras dicht
bij den grond afbijt. Dit dier bezit evenmin in de boven-
kaak snijtanden. Het varken stoot of scheurt met zijn min
of meer vooruitstekende snijtanden het voedsel af. Is het
voedsel in de mondholte aangekomen, dan wordt het ver-
malen , dat is gekauwd. De onderkaak wordt bij het kauwen
voor-, achter- en zijwaarts bewogen, maar hierbij moet
worden opgemerkt, dat het varken de onderkaak niet zij-
waarts bewegen kan en daardoor niet in staat is het voedsel
zoo fijn te malen, als de andere genoemde dieren. Bij die