Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Auteur: Bosman, J.M.H.
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1894
2e herz. en gew. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2192
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205733
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
92
Hij was woedend over zulk een nalatigheid en voer ge-
weldig uit tegen de artsen en het dienstpersoneel. Spoedig
daarop kwamen vier mannen, droegen mij in een kleine
kamer en legden mij op een bed met stroozak op den
vloer. Ik dankte den hemel. Maar mijn toestand werd,
helaas! nog niet beter. Dag en nacht liepen de bedienden
heen en weer door mijn kamer; de vloer dreunde onder
hun zwaren stap: de wind gierde door de open vensters
en deuren: de regen plaste op mijn bed: door de drukte
werd ik herhaaldelijk gestooten en getrapt. Ik kon geen
oog toedoen, zelfs niet na het gebruik van een groote
dosis morphine.
Eerst op den vijfden dag na mijn verwonding werd voor de
eerste maal het verband afgenomen. De lappen verspreidden
een afschuwelijken stank, maar, Goddank! de doktei-s
maakten nu toch eindelijk werk van mij. Zij voelden mijn
pols. bezagen mijn wonden, gingen na hoeveel bloed ik
wel verloren had en konden maar niet begrijpen, dat ik
nog leefde. Xa de verbinding bleef de pols rustig en ik
verlangde naar eten; als een gier viel ik aan op rauwe ham
met brood, want ik was uitgehongerd. Sedert dien dag is
het steeds vooruitgegaan: ik bewoon nu een lief en rustig
kamertje, het studeervertek van den pastoor, en kan eten
als een wolf. De Badensche ziekenoppassers beschouwen
mij als een wonderdier en zeggen, dat zij nog nooit zoo'n
berennatuur gezien hebben; de dokters stellen ontzaglijk
veel belang in mij, nu ze zien dat ik er door kom. Doch
eigenlijk gezegd doen ze niets anders dan mij geregeld eiken dag
verbinden; overigens laten ze mij aan mijn bed en
de goede natuur over. Van de zeven officieren, die hier
met mij in de pastorie waren en die allen een schot door
de borst hadden, zijn er al vier gestorven en voor de twee
anderen bestaat weinig hoop. Ik heb alleen nog maar