Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Auteur: Bosman, J.M.H.
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1894
2e herz. en gew. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2192
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205733
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
74
29. OP WILHELMSHOHE.
"Wat men den eersten Napoleon ook moge ten laste leggen,
zeker niet gemis aan belangstelling in zijn bloedverwanten. Als
•erkend hoofd zijner familie bezorgde hij aan al zijn nabe-
staanden een zeer voorname betrekking, zonder juist altijd te
vragen of de man wel geschikt was voor het ambt. Misschien
meende hij, dat met het ambt ook de kennis wel komen zou.
In deze meening vergiste de trotsche Keizer zich echter deer-
lijk, toen hij zijn jongsten broeder Jérôme tot Souverein van
het nieuw gevormde Koninkrijk AVestfalen verhief (1807 —
'13). Koning zijn was voor dezen gewezen luitenant ter zee
niets anders dan lekker eten en drinken, partijtjes houden,
feestmalen geven, rijdan. rossen en pret maken zonder
einde. Om de regeering bekommerde hij zich letterlijk niets
en hij gaf zich evenmin moeite, ook maar één woord van
de taal zijner onderdanen te leeren. Dit gedrag mishaagde
den Keizer zeer. Hij trok voor en na de teugels van het
bewind aan zich. AVestfalen werd voortaan uit Parijs bestuurd
in plaats van uit Kassei, en den jeugdigen losbol werd
slechts de schijn van het koningschap overgelaten. Jérôme
kon zich daarin best schikken; als hij zijn dagen maar in dolle
pret kon slijten, deerde hem de rest al heel weinig. Zelfs
bekommerde hij zich volstrekt niet om de herhaalde onte-
vredenheid des Keizers, die in eiken volgenden brief dreigen-
der geuit werd. De levenslustige Koning hoorde lachend
den iidioud aan, sloot den brief in zijn cassette en zette
zijn leven van vroolijk Fransje ongestoord voort. Eens echter
scheen zulk een keizerlijke brief indruk op hem te maken
en waarlijk ook niet zonder reden. Hij luidde:
»Aan mijn broeder Jérôme Naiwleon, Koning van AA'estfalen.
Alles, wat ik van u hoor, bewijst, dat gij doof blijft