Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Auteur: Bosman, J.M.H.
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1894
2e herz. en gew. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2192
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205733
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
60
welke instelling heden haar vijfentwintigjarig bestaan her-
dacht. Vergezeld door hun onderwijzers namen zij, meer
dan 5000 in getal, hun weg voorbij het AVitte Huis, waar
zij stand hielden en den President door een juichend »hoera!"
den eersten feestgroet toeriepen. Duizendmaal werd die
kreet herhaald, toen Andreas Johnson spoedig daarna op
het balkon verscheen, waar honderden kleine handen hem
een geurigen ruiker toewierpen. Het gezicht van die vroolij-
ke, blozende kindertronies verhelderde het gelaat van den
wakkeren staatsman; men kon het hem aanzien, hoe harte-
lijk hij deelde in de ongekunstelde feestvreugde dier dartele
jeugd, die met vlammende blikken opwaarts staarde om een
woord van zijn lippen op te vangen. Johnson scheen dit
verlangen te begrijpen; althans hij liet eenige der kleinste
meisjes op stoelen naast zich zetten en de overigen in een
grooten halven kring om zich scharen en sprak toen op
helderen en vriendelijken toon:
»Als ik het goed begrijp, dan zijt gij hier gekomen, voor-
eerst om te toonen hoeveel kinderen wel de Zondagsschool
bezoeken en ten andere om den eersten Ambtenaar der
Natie uw hulde te bewijzen. Die hulde brengt gij heden
aan een man, die beter dan iemand over den toestand van
kinderen uit het volk kan oordeelen. Ik-zelf was ook eens
een kind uit het volk, een arme knaap zelfs; ik heb met
hard werken mijn dagelijksch brood moeten verdienen. Ik
ben altijd wars geweest van afgodische vereering en heb
mij dikwerf geërgerd, wanneer ik de lieden om hun geboorte
alleen als godheden zag huldigen. Aardsche dingen en
sterfelijke menschen moeten niet vergood worden, maar de
ware verdienste mag in eiken stand gewaardeerd worden.
Mijn kleine dochters en zonen — ik mag u immers wel
zoo noemen? — leert daarom vroegtijdig onderscheid maken
tus^clien waarheid en schijn, tusschen degelijkheid en opper-