Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Auteur: Bosman, J.M.H.
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1894
2e herz. en gew. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2192
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205733
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
41
niet daverend genoeg toegejuicht geworden? "Waren de
liaar toegeworpen ruikers niet schitterend genoeg geweest?
Was zij overschaduwd geworden door den diamanten tooi
eener mededingster? Was zij. waardoor dan ook, in haar
ijdelheid gekrenkfc? — Wie zou daarop kunnen antwoor-
den? Genoeg, zij kwam niet, en vandaar die verwarring en
verlegenheid op het zangkoor.
Nog twee minuten en de dienst zou beginnen. De Kapel-
meester ondervraagt met angstige blikken den Directeur,
deze ziet wanhopend naar den Organist, die op zijn beurt
radeloos het oog richt op de zangers en muzikanten.
Daar valt den Directeur plotseling een gelukkig denk-
beeld te binnen: hij ijlt naar den kapelmeester en deelt
hem zijn inval mee. Deze schudt ongeloovig met het hoofd,
maar grijpt gelijktijdig zijn maatstok — want de tijd is
daar — en het »Kyrie Eleison" galmt vol en statig langs
de gewelven van het kerkgebouw. Het was een mis van
Mozart, een meesterstuk van muzikale scliepping, maar
slechts weinig ware kenners en vereerders van kerkmuziek
luisterden met aandaclit naar de verheven accoorden.
Vereweg het meerendeel der aanzienlijke scliaar ver-
beidde met ongedulil het »Offertorium", wanneer de melo-
dieuse tonen der Hofzangeres ook eens in den dienst des
Allerhoogsten zonden klinken. Het lang verwachte oogen-
blik nadert; aller blikken wenden zich naar boven, waar
de solozangers hun plaats hebben; veler oogen worden ge-
wapend met brillen, lorgnetten en hier en daar zelfs hei-
melijk met tooneelkijkers; — docii, wat is dat? In plaats
der indrukwekkende gestalte van de gevierde zangeres, ver-
toont zich, slechts even boven de galerij van het koor, een
zwartlokkig kinderhoofd, en een zoo volkomen, welluidend
gezang klinkt door het ruime godshuis, dat de aanvankelijk
teleurgestelde toehoorders genoopt worden al hun opmerk-