Boekgegevens
Titel: Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Auteur: Bosman, J.M.H.
Uitgave: Meppel: H. ten Brink, 1894
2e herz. en gew. dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2192
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205733
Onderwerp: Communicatiewetenschap: lezen
Trefwoord: Lezen, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Kijkjes in de historie: voor de hoogste klasse en de bibliotheek der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
de liaiid op zijn schouder en sprak: »Maximiliaan, maak u
niet warm, die twee zijn zooveel woorden niet waard."
»Xeen, bij het heil der Xatie, dat zijn zij ook niet,"
riep Robespierre driftig. — »En zijt gij het dan waard,"
voegde hij mij norsch toe, »dat ik zooveel tijd verspil met
in den wind te praten? Als gij nu nog niet begrepen
hebt, dat die twee schuldig zijn, zijt gij een slecht burger."
De zaak werd kritiek, doch Lebas kwam tusschenbeide.
»Maximiliaan, gij gaat te ver," zeide hij. Gij verdenkt
onzen vriend Mesnard, terwijl gij hem veeleer moest prij-
zen om zijn moed. Wij hebben geen uiterlijke eereteekens,
maar beloon zijn republikeinschen moed, die den dood niet
vreest, door een bevel tot invrijheidstelling der gevange-
nen. Anatole keert naar Arras terug. Moet hij daar, in
uw geboorteplaats, zuchtend en jammerend aankomen en
den dood verkondigen van een arme vrouw en een on-
noozelen knaap, of zal hij er juichend binnentrekken, over-
laden met de zegeningen iler Lepelletier's, die uw naam
zullen prijzen tot aan hun laatsten snik?"
Robespierre dacht een oogenblik na; toen wierp hij Lebas
een ernstigen blik toe en sprak tot mij: »Dank het toeval,
dat gij uit Arras komt en Lebas tot vriend hebt." — Daar-
op ging hij naar zijn schrijftafel, nam een gezegeld blad
papier en doopte de pen in den inkt. Ik begon ruimer
adem te halen.
Daar verheft zich plotseling iemand, die zwijgend had
zitten lezen. Het was Saint-Just, een jonge man van zes-
entwintig jaren met een zachtmoedig maar ernstig gelaat.
Bijna toonloos richtte hij het woord tot Robespierre: »Halt!
geen overijling. De knaap . . nu, ja. De vrouw . . nooit!"
»Meent gij, Antoon, dat het niet kan?" vroeg Robes-
pierre.
»Gij moogt het niet," hernam Saint-Just gestreng. »Vrou-