Boekgegevens
Titel: Dieren in hun omgeving
Deel: In ons land Insecteneters / door J.W. Boerman en K.M. Knip
Auteur: Boerman, J.W.; Knip, K.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters' U.M, 1915 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2049
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205720
Onderwerp: Biologie: Vertebrata: algemeen
Trefwoord: Insecteneters, Gidsen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Dieren in hun omgeving
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
zijn het, soms wel M. hoog, die flink boven de omgeving,
uitsteken. Van Juli af kunnen we ze overal op zandgronden
bloeiende aantreffen, meestal in talrijke exemplaren bij
elkaar. Gemakkelijk zijn ze kenbaar aan de uit enkel buis-
bloempjes bestaande bloemhoofdjes — de plant is een
composiet — die weer in tuilen vereenigd zijn en, schitte-
rend in het zonlicht, den indruk maken van platte, gouden
knoopjes. De diep ingesneden bladeren gelijken wel wat
op varenbladeren, terwijl het geheel een sterken, maar
minder aangenamen geur verspreidt.
De gele bloemen, die wat meer op den voorgrond staan,,
rieken heel wat beter. Wel zijn ze erg klein, maar ze ver-
goeden dat weer door de enorme massa's, waarin ze bij
elkaar staan. Echt walstroo heet de plant — Galium
verum — en ze is nauw verwant aan het heerlijk riekende
Lievevrouwenbedstroo. De rijkbloemige, ineengedrongen
pluimen, die elk plantje draagt, bestaan uit tallooze kleine,,
gele bloempjes, allemaal fijne, gouden sterretjes, die een
heerlijken, zoeten geur verspreiden, een echten honinggeur,
waardoor tal van insecten worden gelokt. Walstroo is een
ware duinplant en heele duinhellingen en pannen kunnen
er vol van staan, den zandbodem sierend met een donzig,
goudgeel kleed. De planten dragen in de bijzonder smalle
bladeren, die als dunne draadjes in kransen rond den
stengel staan, het kenmerk der familie, waartoe ze behoo-
ren: de Sterbladigen.
Tusschen het bloeiende walstroo verheffen zich enkele
bruine gasten. De een is bruin, de ander meer bruingeel,
maar andere kleuren zien we niet: het groen, dat ons bij
planten zoo gemeenzaam is, ontbreekt ten eenenmale, zoodat
we aanvankelijk geneigd zijn ze voor verdorde overblijfselen
te houden van de een of andere uitgebloeide plant. Maar
dood zijn ze allesbehalve —- wel dooden ze de planten, in