Boekgegevens
Titel: Dieren in hun omgeving
Deel: In ons land Insecteneters / door J.W. Boerman en K.M. Knip
Auteur: Boerman, J.W.; Knip, K.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters' U.M, 1915 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2049
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205720
Onderwerp: Biologie: Vertebrata: algemeen
Trefwoord: Insecteneters, Gidsen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Dieren in hun omgeving
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
Op de berkebladeren zit hier en daar een groote, bonte,
witgevlekte kever. Dat zijn duinkevers (Melolontha fullo),
die ook wel eens Julikevers heeten, de meikevers onzer
duinen. Meikevers en duinkevers lijken zeer veel op elkaar,
hoewel de laatste anders gekleurd en grooter zijn. 't Zijn
dan ook beide Melolontha-soorten — de meikever heet
Melolontha vulgaris — en ze behooren beide tot de groep
der Bladsprietigen. Massa's snorrende kevers kunnen we
op een Juliavond in de duinen aantreffen, terwijl andere
exemplaren op bladeren en takken zitten, waaraan ze zich
met de scherpe klauwtjes stevig vastklemmen, of waarover
ze log en onbeholpen heen en weer loopen. Een buiten-
kansje voor vleermuizen en nachtzwaluwen, die hier nu
een rijk voorzienen disch vinden!
De kevers zijn ontegenzeggelijk mooi. De dekschilden
zijn fraai gemarmerd, wat veroorzaakt wordt door een
groot aantal witte schubjes, die vastzitten in de chitinehuid.
Vooral de sprieten van de mannetjes zijn allersierlijkst,
veel mooier dan bij meikevers. Een der sprietleden draagt
wat borstelige haren, waardoor de oogen van het dier
schoongehouden worden, wat bij het kruipen door het
duinzand zoo nu en dan wel noodig zal zijn. Pakt men
een kever beet, dan hoort men een piepend geluid, dat
veroorzaakt wordt door ribbetjes in de vliezige achter-
vleugels, die nu strijken langs de harde randen van dek-
schilden en achterlijf.
De gedaanteverwisseling der duinkevers vertoont groote
overeenkomst met die der meikevers. De groote larf leeft
in den bodem als een engerling en knaagt evenals deze
aan plantenwortels, hier vooral aan helm. Daardoor worden
de dieren zeer schadelijk voor duinaanplantingen en 't is
aan de hulp van vleermuizen en nachtzwaluwen te danken,
dat die schade geen grooter afmetingen krijgt.