Boekgegevens
Titel: Dieren in hun omgeving
Deel: In ons land Insecteneters / door J.W. Boerman en K.M. Knip
Auteur: Boerman, J.W.; Knip, K.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters' U.M, 1915 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2049
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205720
Onderwerp: Biologie: Vertebrata: algemeen
Trefwoord: Insecteneters, Gidsen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Dieren in hun omgeving
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
met zwarte teekeningen. De kleine achtervleugels zijn wat
fleuriger van tint en van een helder bruingeel. De onder-
zijde is aan kop en borststuk veel lichter, maar dat is op
de plaat niet merkbaar.
Bijzonder vlug is onze vlinder en — een echte langtong.
De sterk in de lengte ontwikkelde roltong stelt het dier
in staat den honing te halen uit bloemen, waarin deze
diep verborgen ligt. Zoo is het de bestuiver onzer fuchsia's
en geraniums. Zich daarbij op de bloem nederzetten behoeft
niet. Gemakkelijk houdt het dier zich zwevende ervoor,
zooals voor de bloem der nachtsilene op onze plaat.
Eigenlijk zouden we het uitsluitend bij dergelijke bloemen,
die pas des avond zich openen, verwachten. Immers de
meekrapvlinder behoort tot de Sphinxen, die men ook wel
Schenieringvlinders noemt. Toch is dit niet zoo: ook des
daags kan men hem wel vliegende aantreffen.
Is er ook verband tusschen meekrap en meekrap vlinder?
Die vroeger veel in Zeeland gekweekte plant behoort tot
de familie der Sterbladigen of Rubiace'een, waartoe ook
walstroo, Lievevrouwenbedstroo en kleefkruid gerekend
worden. De rups van den meekrapvlinder leeft hoofdzakelijk
op planten, welke tot die familie behooren. Bij ons worden
de eitjes meest gelegd op walstroo, de plant onzer plaat,
en op kleefkruid. Dit geschiedt het eerst door den overwin-
terden vlinder in het voorjaar. Daaruit ontwikkelen zich
dan de rupsen, niet altijd eender van kleur — nu eens
licht- of donkergroen, dan weer roodbruin — met witte
stippen en geelwitte zijdestrepen, maar altijd met het
sphinxenkenmerk, den hoorn, op het achterlijf. Van die
rupsen zijn de in Juli vliegende vlinders afkomstig, terwijl
de overwinterende dieren behooren tot de tweede gene-
ratie, waarvan de vlinder eerst in het najaar verschijnt.