Boekgegevens
Titel: Dieren in hun omgeving
Deel: In ons land Insecteneters / door J.W. Boerman en K.M. Knip
Auteur: Boerman, J.W.; Knip, K.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters' U.M, 1915 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2049
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205720
Onderwerp: Biologie: Vertebrata: algemeen
Trefwoord: Insecteneters, Gidsen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Dieren in hun omgeving
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
boerenhofsteden liggen met wat struikgewas of boschjes in
de nabijheid, aan boschranden, waar wei- of bouwland in
de buurt is. Overdag krijgen we ze niet zoo gemakkelijk
te zien. Egels zijn nachtdieren en des daags blijven ze
liefst in het nest, dat in 't algemeen slechts door één
individu bewoond wordt en niet anders is, dan een in den
grond uitgekrabde holte met wat mos en bladeren, in
't kreupelhout of in een boschje onder takken of loof ver-
borgen. 's Avonds ^aan ze echter op roof uit en wie op
een warmen zomeravond langs 'n boschrand wandelt, heeft
veel kans een of meer egels te ontmoeten en hun eigen-
aardig knorrend geluid te hooren. Heel snel wegloopen
als ze u ruiken of hooren zullen ze niet: ze loopen niet
bijzonder vlug, wat een enkele blik op het vrij logge
lichaam, dat alle lenigheid mist, u reeds doet vermoeden.
Veel meer kans is er, dat ze hun prachtig verdedigings-
apparaat in werking zullen brengen en plotseling veran-
deren in een vrijwel onaantastbaren stekelbal, zooals er
een ligt op den achtergrond van onze hoofdplaat, doch
die wat duidelijker voorgesteld is in fig. V onzer bijplaat.
Naar alle zijden dreigen de venijnig scherpe stekels en
wie het dier zoo onnadenkend zou willen aanvatten, zou
ongetwijfeld de handen tot bloedens toe verwonden. De
eenige manier om een egel ongestraft beet te pakken
bestaat hierin, dat de hand van voren naar achteren wordt
gebracht en de stekels worden platgedrukt.
Groot zijn die stekels — eigenlijk vervormde haren —
niet: in fig. IV der bijplaat vinden we er een afgebeeld,
maar dan zesmaal vergroot. Dicht naast elkaar geplaatst
bekleeden ze hals, rug en zijden met een stekelig pantser,
terwijl kop, pooten en buik slechts gewone haren dragen.
Ducht nu het dier gevaar, dan rolt het zich zoodanig op,
dat die onbeschermde deelen mede onder de afwerende