Boekgegevens
Titel: Dieren in hun omgeving
Deel: In ons land Insecteneters / door J.W. Boerman en K.M. Knip
Auteur: Boerman, J.W.; Knip, K.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters' U.M, 1915 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2049
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205720
Onderwerp: Biologie: Vertebrata: algemeen
Trefwoord: Insecteneters, Gidsen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Dieren in hun omgeving
Vorige scan Volgende scanScanned page
16
in. Ze zijn ontstaan, doordat het dier al jagende en etende
graaft, en aan deze gangen wordt weinig zorg besteed. In
lossen bodem werkt daarbij vooral de kop, is de bodem
te hard om dien met den snuit te doorboren, dan wordt
de kop ingetrokken en moeten de voorpooten alleen het
werk doen.
Het nest zelf is slechts klein; van binnen bekleed met
gras, mos en bladeren, dient het voornamelijk als slaap-
plaats. 't Ligt doorgaans niet diep onder de oppervlakte
en meestal in de nabijheid van water, zoodat het dier
gemakkelijk aan zijn behoefte om te drinken kan voldoen.
Molshoopen en molsritten ontstaan bij het graven, als de
aarde door kopbewegingen opgeduwd wordt. Molsritten
ontstaan bij graven dicht langs de oppervlakte in horizon-
tale richting; molshoopen daarentegen als bij het graven
van een dieper gelegen gang op enkele plaatsen de aarde
in loodrechte pijpen naar boven wordt gewerkt en naar
buiten gedrukt. Dit laatste kan ook gebeuren, als een mol
naar boven graaft om een insect te bereiken; de fijne
aarde, die uit de gangen naar buiten wordt verplaatst,
kan men in molshoopen goed waarnemen.
Des winters is het ook voor den mol veel moeielijker
om voedsel te krijgen dan des zomers, maar een winter-
slaap komt toch niet voor: het dier verhuist eenvoudig
naar lagen, die wat dieper onder de oppervlakte liggen
en waar nog voldoende voedsel voor hem te vinden is.
Er is wel beweerd, dat mollen soms een soort voorraad-
magazijn aanleggen, bestaande uit aardwormen, die door
een beet van den mol verlamd zijn, welke verlamming dan
veroorzaakt zoude worden door vergiftige eigenschappen
van zijn speeksel. Anderen betwijfelen dit sterk en ver-
klaren nooit iets dergelijks te hebben aangetroffen. Waar
echter een bekend schrijver dit vermeldt en zelfs het