Boekgegevens
Titel: Dieren in hun omgeving
Deel: In ons land Insecteneters / door J.W. Boerman en K.M. Knip
Auteur: Boerman, J.W.; Knip, K.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters' U.M, 1915 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2049
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205720
Onderwerp: Biologie: Vertebrata: algemeen
Trefwoord: Insecteneters, Gidsen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Dieren in hun omgeving
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
met daaromheen twee kringgangen; drie pijpen uit de
nestholte naar de bovenste kringgang en dus schuin naar
buiten, een vijftal schachten, waardoor beide kringgangen
met elkaar verbonden worden en die derhalve weer schuin
naar buiten loopen ; uit de groote cirkelgang de hoofdtunnel,
die weer door een pijp met de nestholte verbonden is, en
voorts andere meestal straalsgewijs loopende gangen. Lang
heeft men het laten voorkomen, alsof nu alle mollenesten
er ongeveer zóó uitzagen, totdat verschillende onderzoe-
kingen geleerd hebben, dat deze regelmaat aan gegronden
twijfel onderhevig is. Vele mollenholen lijken allesbehalve
op die teekening uit onze boeken en ook lijken ze niet
alle op elkaar. Over 't algemeen zijn de nesten veel een-
voudiger van bouw. Wel loopen er soms rond de nestholte
eenige kring- of spiraalvormige gangen; ook komen ver-
schillende pijpen voor, waarvan er naar het jachtveld
voeren en andere weer nooduitgangen zijn, maar een alge-
meene regel is hier niet te geven. Onze bijplaat geeft in
fig. VII een schets van een mollenhol, zooals het er uit
kan zien. Van uit de nestholte a voeren de pijpen b, b
naar de jachtterreinen, terwijl de schacht c als vluchtgang
dienst kan doen; tevens leidt een spiraalvormige gang
naar boven, waarschijnlijk om de overtollige aarde opwaarts
weg te kunnen werken. Wel heeft ieder nest vluchtgangen
noodig. Er kunnen toch in de pijpen vijanden binnen-
dringen : wezels, ratten, andere mollen, en dan was de
bewoner verloren, indien hij niet door andere gangen kon
ontsnappen.
De gangen, die blijvend gebruikt worden, de groote
looppijpen en vluchtgangen zijn stevig en zorgvuldig be-
werkt: de aarde is door het dier met het lichaam vast
aangedrukt. Van uit de hoofdgangen gaan echter op ver-
schillende plaatsen zijgangen in alle richtingen den bodem