Boekgegevens
Titel: Dieren in hun omgeving
Deel: In ons land Insecteneters / door J.W. Boerman en K.M. Knip
Auteur: Boerman, J.W.; Knip, K.M.
Uitgave: Groningen: J.B. Wolters' U.M, 1915 *
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2049
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205720
Onderwerp: Biologie: Vertebrata: algemeen
Trefwoord: Insecteneters, Gidsen (vorm)
* jaar van uitgave niet op de gebruikelijke wijze verkregen, mogelijk betreft het een schatting
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Dieren in hun omgeving
Vorige scan Volgende scanScanned page
middenstof zoo weinig mogelijk weerstand bieden? De
zachte, zijdeachtige haren, waarmede het lichaam dicht is
begroeid, zijn achterwaarts gericht en veroorzaken zoo min
mogelijk wrijving. Het rolronde lichaam bezit geen uitste-
kende deelen: geen uitwendige ooren, geen schouders,
geen heupen. Geleidelijk gaat de kop in den romp over.
De spitse kopvorm maakt het voortschuiven door de aarde
gemakkelijk en wordt veroorzaakt door de sterk in de
lengte ontwikkelde kaken, waarbij dan nog voor de boven-
kaak het snuitbeentje komt, zoodat de snuit den kegelvorm
krijgt. De oogen, die eigenlijk vrij overbodig zijn, liggen
diep verscholen onder de dichte haren; de neusopeningen
kunnen door klepjes worden afgesloten. Oorschelpen voor
het opvangen der luchttrillingen kunnen hier, waar de
omringende aarde onmiddellijk met den kop in aanraking
is en de trillingen derhalve door de schedelbeenderen
kunnen worden overgenomen, zonder bezwaar ontbreken.
Ze zijn gereduceerd tot huidrandjes, die de gehoorope-
ningen kunnen afsluiten. Voorts wordt ook het gebit door
de daarover sluitende lippen voor het indringen der aarde
gevrijwaard.
Sterk ontwikkeld zijn die zintuigen, welke het dier helpen
kunnen bij het opsporen zijner prooi. In de eerste plaats
het tastvermogen, daarbij ook het gehoor. Als tastorgaan
moeten we dan beschouwen den uiterst gevoeligen snuit,
waarin tal van tastpapillen worden aangetroffen.
Is de kop van den mol een echt boortoestel, de voor-
pooten zijn een paar stevige, sterke spaden, die de aarde
weggraven en op zijde stuwen. Alleen het onderste gedeelte,
het „handje", komt uit het lichaam te voorschijn. Dit is
zijwaarts geplaatst, breed en sterk, met platte, dikke graaf-
nagels. De handpalmen zijn naar achteren gekeerd, waar-
door het dier gemakkelijk de aarde kan wegwerken, maar