Boekgegevens
Titel: Vraagstukken bij het onderwijs in het rekenen in de lagere school
Deel: Tweede stukje getallen van 1-100
Auteur: Bruin, D. de
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2344
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205711
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken bij het onderwijs in het rekenen in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
1. Fi'its had in zijn spaarpot 16 centen. Hij nam er 11
uit. Hoeveel waren er toen nog in?
2. Hein is 19 en Hendrik 13 jaar oud. Hoeveel jaren is
Hendrik jonger dan Hein?
3. Een boer ging met 17 schapen naar de markt. Hij ver-
kocht er 12 van. Hoeveel hield hij er over?
4. Jan kocht een boek voor 3 stuiver. Hij betaalde 2 dub-
beltjes. Hoeveel cent kreeg hij terug?
5. Hoeveel is 13 noten minder dan 20 noten?
6. Aan een boom hingen 20 appels. De tuinman plukte er
14 af. Hoeveel liet hij er zitten?
7. Jan at van 20 noten er zooveel op, dat hij er nog 8
overhield. Hoeveel at hij er op?
8. üïrk had 2 dubbeltjes. Hij kocht voor 6 cent vlieger-
touw. Hoeveel cent had hij toen nog?
9. Eene fruitvrouw had 20 sinaasappels in haar koif. Eene juf-
vrouw kocht er 7 van. Hoeveel sinaasappels had de fruitvrouw toen nog ?
10. Hoeveel is 4 stuivei* meer dan 9 centen?
11. Een vischverkooper verkocht eerst 4, toen 6, toen 5 en
toen 3 haringen. Hoeveel verkocht hij er?
12. Rika maakte Maandag 5, Dinsdag 3, Woensdag 4 en
Donderdag 7 sommen. Hoeveel sommen maakte zij in die vier
dagen te zamen?
13. Johannes had 8 knikkers. Hij speelde eerst met Hein en
won er 4. Toen speelde hij met Dirk, maar nu verloor hij er 6.
Hoeveel had hij er toen nog?
14. Frits is 6 jaar oud. Piet is 5 jaar ouder dan Frits. Klaas
is 4 jaar jonger dan Piet. Hoe oud is Klaas?
15. Mientje heefteen dubbeltje, Koos een stuiver, Wim 3 centen.
Hoeveel cent hebben zij samen?
16. Van 20 eieren verkocht eene vrouw er eerst 4, toen 8
en daarna 5. Hoeveel had zij er toen nog?
17. Een jongen had 6 konijnen. Hij kocht er 12 bij. Later
vei^kocht hij er 9. Hoeveel had hij er toen nog?'