Boekgegevens
Titel: Vraagstukken bij het onderwijs in het rekenen in de lagere school
Deel: Tweede stukje getallen van 1-100
Auteur: Bruin, D. de
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2344
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205711
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken bij het onderwijs in het rekenen in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
het stuk. Zij betaalde een gulden. Hoeveel cent moest zij toen
terugontvangen ?
89. Hoeveel dagen zijn er in 13 weken ?
90. Hoeveel werkdagen zijn er in 15 weken?
91. Vier jongens hebben ieder 23 knikkers. Hoeveel hebben
zij er samen minder dan 100?
92. Miena kocht 3 pond gedroogde appelen. Zij betaalde een
gulden en kreeg een kwartje terug. Hoeveel cent kostte 1 pond
van die appelen?
93. Iemand verdiende in 4 weken 76 gulden. Hoeveel gulden
verdiende hij per week ?
94. Cornelia kocht 5 gelijke prenteboekjes voor 3 kwartjes.
Hoe duur was elk boekje?
95. Eene naaister kocht 7 dozijn knoopen en nog een half
dozijn. Hoeveel knoopen kocht zij?
96. Een loopjongen verdient 3 stuiver per dag. Hoeveel cent
verdient hij dan in eene week?
97. Hoeveel weken zijn 84 dagen?
98. Wat is het zevende deel van 91 gulden?
99. Van 84 cent kreeg Jan het zesde deel en Piet de helft.
Hoeveel cent kregen zij samen?
100. Als Cornelis 4 cent meer had, dan bezat hij juist een
gulden. Hij geeft het zesde deel van zijn geld uit. Hoeveel
heeft hij nu nog?
1. Hoeveel werkdagen zijn er in 8 weken?
2. Hoeveel dagen zijn er in 9 weken?
3. Hoeveel cent is 8 stuiver minder dan 8 dubbeltjes?
4. Eene koopvrouw verkocht 8 sinaasappels voor 4 cent het
stuk en 9 perziken voor 6 cent het stuk. Hoeveel cent ontving
zij daarvoor?
5. Willem kocht 9 potlooden van 8 cent het stuk en Karei