Boekgegevens
Titel: Vraagstukken bij het onderwijs in het rekenen in de lagere school
Deel: Tweede stukje getallen van 1-100
Auteur: Bruin, D. de
Uitgave: Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink, 1890
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2344
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205711
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Vraagstukken bij het onderwijs in het rekenen in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
8. Diena heeft 30 cent en
beitjes is Miena rijker dan Diena?
9. Willem wil graag een boe
kost. Hij heeft 44 cent. HoeveeP
bij hebben?
10. Eene naaister heeft 40 knoopjes noodig.
maar 31. Hoeveel moet zij er nog bij hebben?
11. Jan heeft 30 cent. Piet is een stuiver rijker. Hoeveel
stuiver bezit Piet?
12. Dirk heeft 8 stuiver, Johan 9 stuiver en Klaas 10 stuiver.
Hoeveel cent hebben zij ieder?
13. Cornelis heeft 32 cent. Hoeveel cent moet hij er nog bij
hebben, om 8 stuiver rijk te zijn?
14. Herman had 46 cent. Hij kreeg er zooveel centen bij,
dat hij net 10 stuivers rijk was. Hoeveel centen kreeg hij
er bij?
15. Een boer had 38 koeien. Hij verkocht er 6 van. Hoe-
veel koeien had hij toen nog?
16. In eene straat stonden 47 huizen. Door een brand werden
er 5 vernield. Hoeveel stonden er toen nog?
17. Ida had 9 stuiver en 3 cent gespaard. Zij kocht een
doosje voor 6 cent. Hoeveel cent had zij toen nog?
18. Vier jongens hadden ieder 10 appels. Zij aten er ieder
1 op. Hoeveel appels hadden zij toen nog samen ?
19. In een boschje stonden 50 boomen. Daarvan werden er
6 omgehakt. Hoeveel boomen stonden er toen nog ?
20. Als Rika 2 cent meer had, dan bezat zij juist 8 stuiver.
Hoeveel cent heeft Rika?
21. Willem had 10 stuiver in zijn spaarpot. Hij nam er
7 cent uit. Hoeveel cent was er toen nog in?
22. Jan had 38 knikkers. Hij won er eerst 2 en toen nog
7 bij. Hoeveel knikkers had hij toen?
23. Eene juffrouw heeft 27 bloemen. Zij koopt er nog 3 witte
en 2 roode rozen bij. Hoeveel bloemen heeft zij nu?
ne Bruin, Vraagsl. II. 2