Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
(il
van liet oostelijk deel van de tegenwoordige Hoekselie Waard, het
Eiland van Dordrecht, den Biesbosch , het IIoll. Diep en een deel
van N. W. Noord-Brabant; hare steden waren Dordrecht en Geer-
trnidenberg. Wat was er toen nog weinig bedijkt! In den zeer
breeden Maasmond was Rozenburg nog niet opgekomen; Voorne
bestond nog nit twee deelen, van Overtlakkee bestond nog bijna
niets en ter plaatse van ihet tegenwoordige Beierland lagen nog
slechts slikken en gorzen.
Verliezen. Maar er zijn ook groote stukken lands die reeds
ingedijkt waren , weer verloren gegaan.
Vroeger onderhield men de dijken slecht, zoodat zij bij storm-
vloeden dikwijls doorbraken ; dit sleepte vooral groote rampen na
zich, wanneer dit plaats had met de dijken dier groote gedeelten
waaruit de binnendijken verdwenen zijn. Dan verdronken vele
menscheuj de overblijvenden waren dikwijls zoo verarmd dat zij
Tiiet tot /imlijking in staat waren : dan bleef zoo'n land ^drijven'*,
zooals men zegt, d. i. het kwam bij eiken gewonen vloed weer
onder en was dus voor bewoning en gebruik ongeschikt. Dit
geschiedde o. a. (1530) met de grootendeels nog niet herdijkte
gronden van oostelijk Zuid Beveland, waarin tal van dorpen lagen,
nu nog slechts bij name bekend, en de belangrijke stad Ueimers-
waal (zie Zefxand , Bld 11); deze laatste bleef nog eenigen tijd
als een eilandje in het water liggen, doch ging eindelijk eene
eeuw later geheel te gronde. Op deze wijze verdwijnen echter de
gronden niet; zij nemen hier en daar wat aan de kanten af, de
kleilaag gaat er af, zij worden met kreken doorsneden, maar zij
liggen er grootendeels nog.
Tegenwoordig is men voor doorbraken van dijken langs de zee
^f zeeboezems veroorzaakt door hooge vloeden niet meer beducht:
men leeft gerust achter de dijken. Maar in Zeeland schuren de
zeer diepe geulen in de zeeboezems de oevers onder water hier
«n daar zeer steil af, zoodat deze soms bij groote brokken af-
schuwen, of veroorzaken de zoogenaamde vallen, eene soort van
trechtervormige grondafschuivingen.
Heeft een dijk weinig land vóór zich, dan verdwijnt een ge-
deelte er van bij zoo'n val soms mede in de diepte : er heeft dan een
d ij k V a 1 plaats. Op een schoouen dag, bij stil weder en laag
water verdicijnen op deze wijze soms plotseling gronden en waar
men voor eenige oogenblikken nog op het schor liep , peilt men