Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
In Zeeland weidt men er seliapen op: een stal en een scliaiuele
hut op eene hoogte van kleizoden, stelle genaamd, dienen den
herder en zijne kudde tot toevluchtsoord: vandaar heeten deze
gronden daar ook wel s t e 11 a n d e n In Groningen worden de
hoogste gronden tegen den dijk ook wel reeds bebouwd.
Om deze landen echter ten allen tijde te kunnen gebruiken en
ze tevens bewoonbaar te maken, worden zij , zoodra zij zekere
hoogte bereikt hebben, i n g e d ij k t; d. i. men legt er een hoo-
gen dijk langs, die ter weerszijden tegen den reeds bestaanden dijk
aansluit en de gronden dus voorgoed van de zee afsluit. Ueze
laatste wordt dan een slaper of droge d ij k.
Is een schor midden in het water opgewassen , zoodat het door
een zeer breede geul van ander land is gescheiden, dan wordt
het met een dijk omringd.
De indijking geschiedt als de gronden daarvoor r ij p zijn , d. i.
als zij zoo hoog liggen dat zij er voor geschikt zijn. Het water
dat er op valt moet n.1. zoo mogelijk langs ualuurlijken iveg , d. i.
zonder opmaling, uit de slooten bij ebbe op het buitenwater kun-
nen afvloeien.
Ken aldus aangewassen en met een dijk van de zee afgesloten stuk
gronds noemt men eene bedijking.
Eene bedijking is dus ook een polder — want zij is geheel van
het omringende water afgesloten eu het water dat er op valt heeft
men geheel in eigen macht. Er is echter een groot onderscheid
in wijze van ontstaan, uiterlijk en gebruik van zulk eene bedijking
en van een polder in het llollaudsche laagveen , die slechts met
zwakke kaden, niet met hooge dijken omringd is. —
De zeekleilanden van Holland, Zet^land en N,-Brabant.
Deze landen bestaan geheel en al uit een aaneen-
schakeling van handerden bedijkingen.
Tot de vroegst bedijkte deelen van Zeeland behooren de oudste ge-
deelten van Walcheren, Zuid-Iieveland, Schouwen en Duiveland: deze
ontstonden ook bij kleinere stukken , maar men groef toeu de oude
dijken, die „droog" werden als er eene nieuwe bedijking voor
kwam, weg; vandiiar dat men in die deelen (zie de polders Wal-
cheren , Breede Watering van Z.-Bev., Schouwen en Vierbannen
op Duiveland, Zeeland, uld 11) geen binnendijken meer vindt.
Dat was vooral in die dagen zeer gevaarlijk; want toen braken