Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
58
vaste stoffen op bezinken, in den beginne alleen de kleideeltjes
die het mede naar binnen had gevoerd, later, toen er meer be-
Aveging in het water was door de verwijding der gaten en zeeboe-
zems , eerst het zand en daarop de klei De hierdoor ontstane laag
zeeklei werd dikker en dikker , naarmate de bodem zakte.
Aanwas en verlies in 't algemeen. Bedijkingen. liet
zeewater nl. bevat vooral in de nabijheid der kusten eene groote
hoeveelheid vaste stoffen — niet alleen zand, dat het van den
bodem loswoelt, maar ook klei, welke er in verbazend groote
massa's door de groote rivieren wordt ingebracht.
Voor het afzetten van klei op den bodem is als hoofdvoorwaarde
noodig: rust in het water, of althans zeer weinig beweging. Dit
kan dus het geval zijn daar, waar getij- of andere stroomen niet
sterk werken, waai- het water zeer ondiep is, enz, De vloedstroom
A'oert de vaste stoften naar de kust; bij de kentering en gedurende
het begin der ebbe zal de neerslag kunnen plaats hebben.
Toch ontstaat niet overal langs onze kusten aanwinst van grond,
ja is er hier en daar gestadig verlies.
Plaatselijke omstandigheden , maar vooral de richting van de
meest waaiende winden met betrekking tot de kustlijn zijn daarop
van grooten invloed.
De gronden welke op deze wijze worden aangewonnen noemt
men in 't algemeen aanwassen. Indien zij , zooals hier en daar
in Zeeland, niet onmiddellijk tegen liet reeds aanwezige land
ontstaan , maar hiervan door min of meer breede geulen zijn ge-
scheiden , dan lieeten zij opwassen.
Het gedeelte dat bij ebbe droogvalt tot ongeveer 30 cM. beneden
gewoon IIW. heet in Groningen s I ij k- of z a n d g r onden, al
naar den aard, in Zuid-Holland en Zeeland slikken; deze zijn
nog geheel naakt, d. i. zonder plantengroei. Daarboven , tot iets
boven de hoogwaterlijn, ligt eene strook begroeid met planten , van
onder af eerst de zeekraal, eene in Zeeland algemeen bekende
groente.
Daarboven worden de gronden dus slechts nu en dan met water
bedekt en zijn begroeid met kweldergras; liet zijn deze
gronden die in Groningen kwelders of kwelderlanden^
in Zuid-Holland gorzen, in Zeeland schorren genoemd
worden
Het kweldergras wordt in den regel beweid, soms ook gemaaid.