Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
HOOFDSTUK V.
De Zeeklei.
Ligging. Bezien wij de Geologische Kaart , ,] dan
vinden wij t. Z. van den Hoelc van Holland achter de duinstreek
eene groote oppervlakte lands, gelieel Zeeland, de Zuid-Holl.
eilanden en NW. Noord-Brabant omvattend, gevormd door zee-
klei. Ook in het N. van Noord-llolland vinden wij deze grond-
soort achter de kuststreek en in het ons reeds bekende Westfries-
land , op Texel en Terschelling en voorts in het W. en N. van
Friesland, in het N. van Groningen en aan de Zuiderzeekust
omstreeks de monden van den IJsel en de Eem.
Die klei rust grootendeels op eene laag veen of is er door eene
zandlaag van gescheiden ; waar het veen ontbreekt, is het weg-
geslagen door de werking van hetzelfde water dat de klei aan-
voerde. Dat veen onder de klei is óf eene voortzetting van het
aangrenzende laagveen, zooals in Zeeland en op de Zuid-Holl.
eilanden, of het overblijfsel van den plantengroei op het onderlig-
gende zand, toen dit nog aan de oppei-vlakte lag, zooals in Gro-
ningen , en gelijkt dan meer op hoogveen. Die veenlaag onder de
klei noemt men in Zeeland derrie, in Groningen darg.
Toen nieuwe zeegaten gevormd en de oude wijder werden
(bl. 14), drong het zeewater meer naar binnen en vormde bij de
oude riviermonden en kuststroompjes breede diepe geulen in het
veen. Onze bodem daalde en het veen werd nu en'dan, later meer
geregeld, bij eiken vloed met zeewater bedekt: dit deed er zijne^