Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
•l-G
ren ; zij kunnen er niet zijn , omdat zij er niet van hooger naar
lager punten kunnen vloeien.
De voormalige Rijnarmen. Vroeger ging een liijnarm van
Wijk bij Duurstede over Utrecht en Leiden naar de Noordzee.
Deze is echter misschien reeds in den Komeinschen tijd gedeelte-
lijk, in de middeneeuwen door den dijk geheel van den llijn afge-
sloten. Thans ontvangt hij nog door een duiker hieruit eenig water
en tevens van de aangrenzende streken der provincie Utrecht. Hij
stroomt als een smal water naar de stad Utrecht onder den naam
van K r o m m e n U ij n : voor de bevaarbaarheid wordt hij op
drie plaatsen kunstmatig opgesluwd; daar liggen ook schutsluizen:
een en ander dient tevens voor onderwaterzetting in oorlogstijd.
De Vaartsche K ij n is een gedeeltelijk gegraven water,
dat door eene sluis te Vreeswijk uit de Lek en door eenige wete-
ringen water ontvangt, en dus een weinig stroomt naar de zijde
van Utrecht. Hier wordt het water van Krommen Rijn en Vaart-
schen Rijn door eene sluis geloosd op de Vee h t, een water dat
te I\[uiden door eene sluis op de Zuiderzee kan afgetapt worden.
Beide sluizen moeten zeer dikwijls worden geopend en dan is er
stroom in de Vecht en zou men deze ee le rivier kunnen noemen.
De Oude Rijn echter is door sluizen in 5 deelen verdeeld;
deze behooren tot verschillende boezems , welker overtollig water
op de Vecht, de Zuiderzee , enz. kan worden afgetapt. Alleen de
4e bak loost te Bodegraven op de 5de , maar overigens hebben
de verschillende deelen niets met elkander te maken.
De Hollandsche IJ s e I is reeds sedert zes eeuwen bij
Vreeswijk van de Lek afgesloten en vormt tot den dam even
boven Gouda een afgesloten boezem , van hier tot Krimpen echter
een open water, waarin eb en vloed op en neer gaan (bL 29).
Belangrijke waterwegen zijn nog:
Het M e r w e d e-K a n a a 1 (zie z.-holl. en n.-holl. , bld 9 en
10) van Gorinchem over Vreeswijk naar Amsterdam, volgt het
Zederik-Kanaal tot Vianen en een deel van den Vaartschen
Rijn, doch is overigens geheel nieuw gegraven (nog iu uitvoe-
ring). Door sluizen komen te Vianen en te Vreeswijk de schepeu
op de Lek , die zij moeten oversteken. Het is ingericht voor de
grootste lüjnschepen (zie bl. 22). Bij Nichtevecht is het door
een kort kanaal met schutsluis met de Vecht verbonden.
De oude K e u I s c h e Vaart, vau Gorinchem door de Linge