Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
44
gevorrad. Xatuurlijk komen in de strooken rivierklei langs Ouden
Uijn, Iloll. IJsel, enz. geen droogmakerijen voor.
Vroeger maakte men de meren, enz. droog door een aatal wind-
molens, die 2, 3 of 4 hoog naar elkaar toemaakten, omdat zij liet
water niet in eens zoo hoog kon<len opbrengen, cn hield ze op
dezelfde wijze droog, even als enkele niet uitgeveende diepe pol-
ders. Tegenwoordig geschiedt dit in den regel met s t o o m g e
male n. Deze vervangen ojk in 't algemeen meer en meer de
oud vaderlandsche windmolens der polders: men is daarmede niet
afhankelijk van den' wind en kan er een sterken regenval mede
bijhouden.
Ue windwatermolens of stoomgemalen worden aan het einde van
een breede sloot of tocht (molentocht) geplaatst. Zij houden bet
water in de polderslooten, dus ook in den grond, ongeveer Vs M.
beueden het terrein bij weiland en 0,7ó a I bij bouwland.
Waar blijft nu al het water dat de windmolens en
stoomgemalen der polders uitwerpen ?
Sommige der polders die onmiddellijk aan zee of aan een groote
rivier li^'gen werpen hun water in eens hierop uit, maar de meer
binnenwaiirts gelegen kunnen dit natuuilijk niet.
Men gebruikt hiertoe, behalve de gegraven vaarten en kanalen,
de meren en plassen en het grootste gedeelte der wateren die
Holland, enz. doorsnijden en ook door de groote dijken langs het
buitenwater afgesloten werden, zooals de Oude Rijn, de Amstel,
de Gouwe, de Rotte, enz.
Deze wateren werden ni. langzamerhand tusschen de kaden der
pjlders nauw ingesloten, hun waterspiegel sieeg door al het water
dat de polders er in opmaalden en de polders zelve zakten door
het drooghouden, enz., zoodat het land weldra 1 a 1,5 M. beneden
het ojipervlak in al die wateren kwam te liggen Deze staan niet
alle in open verbinding met elkaar; zij zijn door dammen of -
daar de meeste voor scheepvaart dienen — gewoonlijk door sluizen
bij gedeelten van elkaar gescheiden. Zulk een afgesloten groep
wateren heet de boezem van de polders die er op loozen en is
dus van deze de voorloopige xvaterbergplaats. Natuurlijk moet deze
op hare beurt nu en dan afgetapt worden op de zee of de groote
rivieren. Zijn deze zeer laag, dan kan dit door sluizen geschieden;
meestal heeft dit echter ook plaats na opmaling door wind of
stoom.