Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
4'j
Til het llollaiulsche veenmoeras lagen vele kleine en groote
Tseren , vooral t. N. van liet IJ, alwaar de grootste , zooals P u r-
m e r, li e e m s t e r en Schermer, oorspr. zelfs met de zee
in open verbinding stonden. (Zie Holl. Noorderkwartier o. h. eixde
DE 13e EEUW , BLD 5); zeer vele ook in het W. van West Friesland-
Daar het laagveen een uitstekende brandstof, de harde turf,
oplevert, heeft meu het reeds voor eeuwen uitgebaggerd. Hierdoor
ontstonden echter 4 tot 5 M. diepe en dikwijls zeer groote plassen.
Die meren en plassen in het losse veen, vooral de groote, waren
gevaarlijk, omdat zij door den wind hunne oevers afsloegen, zoo.
dat zij voortdurend grooter werden. Bij storm traden zij ook dik-
wijls buiten hunne oevers. Daar bovendien van de meeste de bodem
bestond uit de vruchtbare zeekleilaag (bi 39), waarop hier het
veen rust, zoo was men er na de uitvinding der windwatermolens
op bedacht ze droog te maken
Dit gelukte eerst met kleine, ondiepe meertjes in Westfriesland,
later met grootere en diepere, zooals de Beemster (1612), door ze
met een zware kade te omringen en ze daarna droog te maken.
Daarna volgden nog vele andere van die droogmakingen tot op
onzen tijd. Ook zijn in de vorige eeuwen en tegenwoordig nog
hier en daar reeds bestaande polders n i t g c v e e n d , doch alleen
onder vooiwaarde dat zij na vervening zouden worden droog-
gemaakt.
Door het droogmaken van meren en plassen ontstaan dus ook
polders^ maar zeer diepe.
EevG droogmakerij is een polder^ onfs'aan door het droogleggen
van een meer of plas ; een diepe hom dus, in Holland en Utrecht in
h algemeen 3 d 4 iï/. beneden het omliggend terrein gelegen.
Op de kaart (zie Z.-Holl., N.-IIoll. en ijtrecnt, Bldn 9,10 en 12)
zien wij groote oppervlakten zeeklei te midden van het veen : zij
vormen den bodem van een zeer groot aantal droogmakerijen. De
grootste van alle droogmakerijen is de H a a r 1 e m m ermee r-
polder (zie Z-Holl., Bld 9), waarin ook zand en nog veen op
den bodem ligt en die in 1852 werd drooggemaakt. De droogma-
kerijen t. N. van het voormalige IJ zijn op ééne na alle door
droogmaking van meren ontstaan; de grootste zijn de Beemster,.
de P u r m e r , de Schermer, de W o r ra e r en in Westfriesland
de H e ft r - H u g o wa a r d. Schieiand wordt bijna geheel door
droogmakerijen ingenomen : deze zijn alle uit nitgeveende plassen.