Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
42
overmaat van regen boven verdamping. !Maar bovendien zijn deze
niet gelijkmatig over het jaar verdeeld. Terwijl b.v, de minste
regen in Febr. en Maart, de meeste in Augustus en Oktober valt,
wordt de regenval in Augustus door de groote verdamping opge-
wogen Alaar de groote hoeveelheid regen die in Okt., Nov. en
Dee. valt overtreft dan verre de verdamping, zoodat in de winter-
maanden en tegen het voorjaar deze landen gewoonlijk onder watei'
zonden staan, als men daartegen geen buitengewone maat-
regelen nam.
Dit was dan ook zeker nog de toestand in de middeneeuwen:
's winters met water bedekt, 's zomers niet veel verschillend van
een groot veeumoeras; lioewel het in die tijden zeer waarschijnlijk
wat hooger lag dan thans. De voormalige breede riviertjes, als
Rotte, Amstel, enz., waren door den omringdijk geheel afgesloten
en in stilstaande wateren veranderd en alleen als de zee of groote
rivier nu en dan zeer laag stonden, kon men iets van hun inhoud
door sluizen loozen.
Daarom begon men, misschien reeds in de 14e eeuw, dit land
bij kleine stukjes met lage kaden te omringen (1 ä 3 voethoog);
binnen zoo'n omkading groef men een aantal slooten om voorloopig
zekere hoeveelheid regenwater in te kunnen bergen ; op gebrekkige
wijze, met handwerktuigen (tonmolens , enz.), wierp men daaruit
liet overtollige water buiten de kaden.
Toen echter in de eerste helfe der 1.5e eeuw de w i n d w a t e r-
molens werden uitgevonden , had men hierin een krachtig middel
verkregen om het overtollige water uit te werpen. Men ging toen
al meer en meer stukken land met kaden afsluiten — die welke
aan de hoogere geest- of duingronden aansloten, behoefde men niet
geheel en al met kaden te omringen — en kon die stukken nu
ook veel grooter maken dan weleer.
Zoo een sUik land ^ geheel of gedeeltelijfc met kaden omiingd tot
afwering van het water er buiten en om het water er binnen geheet
in eigen macht te hebben , heet een polder.
Langzamerhand werd liet geheele nu beschoiiwde deel des lands-
in polders verdeeld, wat in de eerste helft der 17e eeuw een vol-
dongen feit was.
Men kan dus zeggen dat sedert dien tijd geheel het vaste»
land van Holland en het westelijk deel van Utrecht be-
staan uit veie honderden pDlderSy die aaneensluiten»