Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
serstaan v orden , dat die verhoudinj steedi aanweziy is, maar geldt
zij alleen voor den totalen afvoer gedurende een geheel getijde.
Verwal en snelheid op de Rijntakken. De M. K. van
den Rijn te Keulen bedraagt bijna + 39 A. P. en te Lobit bijna
11,50 A. P. Bedenken wij nu, dat de afstand van Keulen tot
Lobit ongeveer gelijk is aan dien van Lobit tot de zee, dan blijkt
daaruit dat het verval der rivieren in ons land niet groot is,
dus de waterspiegel weinig helt.
Het verval is echter binnen ons land niet gelijkmatig verdeeld:
het is nl. op het benedengedeelte der rivieren geringer dan hoogerop,
doch natuurlijk bij eb grooter dan bij vloed. Tusschen Pannerden
en Arnhem bedraagt het 1,27 cM. op elke 1000 M.
Een gevolg hiervan is, dat ook de snelheid zeer verschil-
lend is: op de benedenrivieren is zij bij de kentering gelijk nul,
{)ij vloed negatief; op de bovenrivieren het grootst: de grootste
waargenomen snelheid bij M. R. bedraagt 1,18 M. in de seconde
Pa nn. kanaal); bij hoogere standen stijgt de snelheid echter tot
boven de 2 M. p. sec
Naarmate de snelheid eeiier rivier afneemt, vermindert ook de
arbeid dien de watermassa kan verrichten.
Op het bovengedeelte in ons gebied worJt nog g r i ut medege-
voerd , 0. a. in de Waal bij Nijmegen. Daarbeneden heeft dit nog
slcchls met zand en klei j)laa(s; nog lager wordt het zand bij eb
slechts langzaam over den bodem voortgeschoven , terwijl alleen
de fijnere kleideeltjes worden zwevende gehouden. Eene kolossale
ïioeveellieid vaste stotïen wordt door de rivieren jaarlijks zeewaarts
gevoerd.
Bevaarbaarheid van de 3 Rijntakken. Om ondiepten
ep te ruimen baggert men nu hier dan daar groote hoeveelheden
zand weg. Daarmede neemt men echter de oorzaak der verondie-
pingen niet weg. Daarom maakt men de rivier zoo noodig kunst-
matig smaller en wel door kribben, d. z. dammen van rijshout
en steenen gemaakt, aan den oever aangesloten en loodrecht of
schuin op de richting van den stroom in de rivier vooruitstekende;
de stroom beweegt zich dan tusschen de koppen der kribben, door
de vernauwing wordt de snelheid grooter en de rivier wordt dieper
nitgescliuurd. Een zeer groot aantal dergelijke werken is in onze
rivieren aangelegd : men noemt dit het n o r m a 1 i s e e r e n der
rivieren.