Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
18
der. Hieruit komt men in de uitstekende haven het Nieuwe
Diep, t. O. begrensd door een leidam, zoodat zij steeds door de
schuring der getijen op diepte wordt gehouden. (Zie N. Holl ,
BLu 10); t N. O. daarvan ligt de R e e d e. Van hiernit gaat het
Marsdiep en de Texelstroom naar den Vliestroom
De gaten tusschen de andere eilanden, doodloopend in de ach-
tergelegen Wadgronden , zijn daarom van minder beteekenis.
Door de zeegaten trekken de getijen heen en weder; bij vloed
stroomt water uit de Noordzee de Zuiderzee binnen: te Medemblik
is het 4V2 uur later vloed dan te Helder en 3 uur vroeger dan
te Marken, enz. Daar het door de betr. nauwe zeegaten dringende
water zich over eene groote oppervlakte verspreidt, Avordt het
verschil tusschen eb en vloed geringer naarmate men dieper in
de Zuiderzee komt: in de zuidelijke kom is het nog slechts 10 a
50 e M. - Als bij N. W. stormen veel water binnen de Zuiderzee
is gejaagd, dan kan dit door de gaten slechts langzaam weg-
vloeien ; dan ontstaan langdurige hooge standen die gevaarlijk zijn
voor de dijken.
Over de Wadden trekt de vloed in versclullende richtingen,
komend van de zeegaten; dan worden eerst de diepere geulen ot'
balgen gevuld, daarna de ondiepe kreken en eindelijk win-den
de gronden zelve overstroomd. Alleen bij meer dan gewoon H.W.
zijn de Wadden zelve te bevaren. Bij eb vallen de scheepjes op
het droge of ankeren in de geulen en de schclpvisschers verzamelen
de achtergebleven schelpen.
De kust voor de scheepvaart en visscherij. Uit de
gegeven beschrijving blijkt dat onze kusten in algemeen Aveinig
geschikt zijn voor de scheepvaart. De Hauw van het strand zee-
waarts hellende bodem en de banken maken eene nadering van
handelsvaartuigen onmiddellijk aan het land niet alleen onmogelijk,
maar deze blijven zelfs meestal op eerbiedigen afstand, nit vrees
van door stroom of wind aan den grond te zullen geraken. Menig
schip strandt daardoor op onze kust, die dan ook als eender
gevaarlijkste der aarde bekend staat.
Langs deze vindt men daarom stations, waar het m a-
t e r i e e l bewaard w 0 r d t (booten , vuurpijlen , enz ) t 0 t
het redden van s c h i p b r e n k e 1 i n g e n.
De burgemeesters der aan zee grenzende gemeenten zijn strand-