Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
»liepe vaarwater K e e t e n - M a s t g' a t - Z ij p e , dat aldus d •
eenige verbinding vormt tusschen Holland en Duitschland ter eene
en Zeeland en België ter andere zijde (door het Kanaal door Zuid-
Beveland).
Daar de zeeboezems naar achteren nauwer worden, zoo loopt
door de opstuwing de vloed achterin wat hooger op dan aan den
mond, en de eb aldaar ook wat lager af dan voor aan zee. B. v.
te Vlissingen vL -f 1,74, eb - 1,88 A.B,; te Bath vl. + 2,3t;,
eb — 2,05 A.F. (grootste verschil in Nederlandj; enz.
Vorming der Noordzee-eilanden en der Zuiderzee.
Maar nog meer dan in het Zuiden werd de duinenreeks in het
Noorden verbrokkeld. Toen de duinen smaller waren geworden,
kwamen, misschien reeds in de 11® en 12® eeuw, over enkele
hige gedeelten nu en dan hooge vloeden naar binnen, dood en
verderf verspreidende over de reeds bewoonde landen van Fries-
land , vooral t. W. van den Flevus of Vliestroom, een stroom van
het Z. naar het N. loopeude en die de uitwatering was van het
meer F1 e v o. Dit laatste was een meer, gelegen iu de veen-
gronden die weleer een groot deel van de zuidelijke kom der te-
genwoordige Zuiderzee innamen cu waarin de JJsel en de Over-
ijselsche Vecht uitliepen. Door het gestadig overvloeien werden
de genoemde lage plaatsen iu de duinen al vlakker eu lager, zoo-
dat daarover eindelijk de gewone vloeden naar binnen kwamen e:i
zij tot zeegaten uitschuurden. liet land achter de duinen , tot aan
het tegenwoordige Fi'ieshuul cu de lijn Enkhuizen—Stavoren met
steden on dorpen bezet, werd onbewoonbaar. Intusschen had het
meer Flevo zich meer en meer uitgebreid ten koste van de om-
j'ingende losse veengronden door de werking van den golfslag,
zooals vele meren in den veenbodem doen, en zijne wateren reik-
ten ten slotte als het ware de hand aan de wateren die in het
N. door de zeegaten binnendrongen. Aldus ontstond in den loop
van eenige eenwen de Zuiderzee , aan welker uitbreiding slechts
])aal en perk werd gesteld door de dijken die men aanlegde langs
de lage laiulen (alluvium) en door de hoogere diluviale gronden
van ^luiderberg, het Oooi , de Veluwe, bij Vollcnhove en van
(laasterland. Hierbij valt op te merken, dat het veen inliet
zuidelijk deel nagenoeg geheel werd opgeruimd: de diepte bedraagt
ilier thans gemiddeld slechts ntim 3 J/.; het diepste gedeelte is