Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
11
De hoogten van gew. vloed en ebbe worden ecliter soms dagen
ïvchtereen niet bereikt of verre overschreden. De voornaamste oor-
zaak hiervan is de verhing van den wihd op de groote wateropper-
vlakte , die het water meer of min naar het land opjaagt of er
atjaagt. Niet zeer sterke wind heeft reeds grooten invloed. Bij
hevigen wind ontstaan daardoor de stormvloeden en s t o r m-
ebben. De Z.W. stormen, die bij ons te lande het meest voor-
komen , jagen het water door het Kanaal naar onz3 kusten en als
<ian — wat meestal het geval is — de windrichting AV. en N.W.
wordt, dan wordt de watermassa hoog tegen de knst opgezet. De
stormvloeden kunnen dan in 't algemeen tot -[- 3 a -[- A.P.
oploopen ; de stormebben soms tot —■ 2 a — 3 A.P. afvloeien.
Golfstroom. Een tak van den Golfstroom welke in de Golf
van Mexico ontstaat» langs een deel der westkust van Amerika
loopt en dan den Atlantischen Oceaan oversteekt dringt door het
Kanaal en gaat langs onze kust noordwaarts: van daar dat aan
den Helder, op Texel, enz. zoo dikwijls voorwerpen aanspoelen
van schepen , die veel zuidelijker bij onze kust vergaan zijn.
Duinen. Van kaap Griz Xez bij Galais tot kaap Skagen in
het N van Jutland vindt men langs de zeekust hoogten, geheel
bestaande uit zuiver fijn zand vermengd met een weinig kalk
afkomstig van schelpdieren, welke hoogten men duinen noemt.
Zij worden gevormd door de zee zelve, door de zon en door den
wind. De voorwaarden tot duinvorming zijn op onze kust zeer
gunstig. Er is veel lijn zand aanwezig en de bodem der zee helt
zeer Hauw van het land naar liet diepere gedeelte. Daardoor stoo-
ten de golven, die door den wind ontstaan, tegen den bodem,
storten daarna over, veroorzakende branding en woelen tevens
het zand los. Dit zand voeren zij hooger op naar het strand, d. i,
de grond die onmiddellijk aan zee grenst en nu en dan door deze
bedekt wordt; door het verschil tusschen eb en vloed is dit laatste
vlak en breed. De zon droogt het zand daar en de meest heer-
scliende winden jagen het landwaarts, waar de geringste hindernis
het tot hoopen doet opwaaien , die door den groei van helm , enz.
eenige stabiliteit verkrijgen.
De duinenrij langs onze kust is waarschijnlijk oorspr. ontstaan
niet onmiddellijk tegen een vaste kust maar op vlakke strooken
of zandplaten, die de ^Nehrung" vormden vóór het groote „Haft"
waarin zich de wateren van Uijn, Maas en ^dielde stortten,