Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
10
vloed zijn hoogste punt bereikt is hater j naarmate men langs onze
klist en verder tot aan den Elbemond meer oostelijk voortgaat.
Neemt men bij elk getij de hoogte waar van de uiterste punten
die vloed en ebbe bereiken, en bepaalt men dan het gemiddelde
van al die hoogten over het laatste tijdvak van tien jaren , dus
nu van 1880—1890, dan krijgt men den zoogenaamden gewo-
nen of dagelijkschen vloed en de gewone of dagelijk-
sche eb, ook wel genoemd dagelijksch Hoogwater (H. AV.)
eii dagelijksch Laagwater (L. W.).
De bedoelde hoogten, evenals de rivierstanden , de hoogten van
liet terrein, enz in ons land bepaalt men ten opzichte van een
algemeen peil of vlak van vergelijking Amsterdamsch Peil
of meestal kortweg A. P. geheeten. Dit is een horizontaal vlak ,
welks hoogte nagenoeg overeenkomt met de hoogte van dagelijk-
schen vloed te Amsterdam, toen het IJ nog open was. Het heeft
het voordeel van zeer in 7 ruwe de gemiddelde oppervlakte van
de aangrenzende zee aan te geven , das het gemiddelde tusschen
ILW. en h.W., zoodat men eene hoogte ten opzichte vau A. P.
noemende, dadelijk de hoogteligging t. o. der zee kent. Daarom
wordt het ook zelfs in aangrenzende deelen van het buitenland
gebruikt. Eene hoogte van 3 M. boven A. P. wordt aangegeven:
4- 3 A. P., van 2 ^I. daarbeneden: — 2 A. P.
De niet-reehtstreeksche werking der getijen in de Noordzee blijkt
4)ok uit het verschil tusschen dagelijksch II.W. en L.W. op ver-
schillende punten van onze kust. Dit verschil, hetwelk bij Galais
Cyfi M. bedraagt, is in de Wester-Schelde nog gem. 4 M. , in de
Ooster-Schelde 3 M. , aan den Hoek van Holland bijna 1,1 M. en
neemt langs de kust langzaam af tot bij den Helder, waar het
nog 1,25^1. bediaagt; neemt dan weer toe onder den invloed van
de vloedgolf die van de Engelsche kust komt tot aan de Jahde-
(Jolf, waar het 3,6 ^I. is. Aan den mond der Elbe is het nog
:J M. , in 't N. van Jutland nog 1,5 M. , om verder af te nemen
tot in de Oostzee, waar de getijen nauw merkbaar zijn.
Het juiste midden tusschen H.W. en L W. op onze kust ligt
pchter niet overal even hoog. In geheel Zeeland vormt A.P. bijna
juist het midden tusschen gem. eb en vloed. Verder op is dat
niet meer het geval , totdat in 't N. O. eb en vloed weer onge-
veer evenveel vau A. P. verschillen (Delfzijl vl -f" ^^^
eb — AP.).