Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
De Zee
IIOOFDSTUg n-^,
De Noordzee is betr. ondiep, slechls voor een klem gedeelte
dieper dnn 100 a 200 M. Tusschen Harlingen en Huil is geeis
enkel punt dieper dan 40 M., eene diepte die hier en daar iu
Ooster- en Wester Schelde voorkomt.
De bodem bestaat nit dilnvisch zand en is zeer oneffen. De
(mdiepste gedeelten noemt men-banken, die echter bij laag
water niet droog vallen ; de bekende Doggersbank ligt midden iu
de Noordzee.
Ebbe en Vloed. In de Noordzee nemen wij het verschijnsel
der getijen of van ebbe en vloed waar, d. i. wij zien
tweemaal per dag de zee gedurende zekeren tijd rijzen en ook
tweemaal dalen.
Dit versehijnsel werkt in de Noordzee niet rechtstreeks. D. i. er
ontstaat geen verhooging van den waterspiegel dier zee door
rechtstreeksche aantrekking op de waterdeeltjes, maar de verhoo-
ging daarvan is een gevolg , een voorzetting van de ophefting van
het water in den Atlantisehen Oceaan gaande door het Kanaal en
l'as de Galais en in het N. om Schotland heen naar de Noordzee.
Een bewijs hiervoor is, dat het voortgaan der verhooging of zooals
men ook zegt de voortbeweging van de vloedgolf niet van het O.
naar het W. plaats heeft — hetgeen immers bij rechtstreeksche
aantrekking zon moeten gebeuren --maar juist in tegenovergestelde
richting. M. a. w. het uur van hoogwater of het oogenblik, waarop de