Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
Vochtigheid.
Door (Ie iiabijlieicl der zee bevat de liielit bij ons veel waterdamp,
die bij sterke verdielitiug als w o 1 k e n , n e v e 1 s of m i s t zicht
baar wordt Door de sterke verdamping in den zomer is de lucht
dan veel bewolkt en hoewel dan het dauwpunt veel hooger ligt-
dan 's winters, zoo is toch de zomer en hi.rfst daardoor onze
regentijd. De geheele jaarlijksclie hoeveelheid regen wordt echter
door die van vele andere deelen der aarde overtroti'en; zij bedraagt
volgens waarnemingen over 142 jaren gem. 009 m.M. — in het
W. van Schotland, waar de zachte winters den regentijd vormen,
2500 a 3000 m.M.! De meeste regen valt in ens land bij Z. W.
tot N. W. wind en wel het meest in Augustus en October, het
minst in Februari en Maart. De verdamping, die in Juli en Au-
gustus het grootst is, vermindert daarna natuurlijk, zoodat in het
najaar bij ons te lande de grootste overmaat van regen boven ver-
damping bestaat en in Mei en Juni de grootste overmaat van ver-
damping boven regen.
De meest heerschende winden in ons land zijn de Z. \V. en de
W.; in April en Mei veel N. en N. O. wind (schrale voorjaren.)
De meeste stormen komen bij ons in het Z. W. op, wordeu
daarna W. en eindelijk N. W. Sterke wind en storm komen het
meest iu Januari voor. De grootste windkracht bij ons waai-geno-
men is 150 K. G. per M^.
's Winters zijn de N. O , 's zomers de N. en N. W. winden
het koudst.
De bevoiiting.
De Nederlanders behooren bijna geheel tot een der vier hoofd-
stammen van het blanke ras, nl. lot het I n d o-G ermaan sc lie.
Zij vormen een gedeelte van de machtigste der 8 hoofdtakken van
dezen 4aatste en wel van de Germanen, die Midden- en N.-W.
Europa bewonen en tot naburen hebben drie andere takken : de
Slaven (Polen, Czechen, Hongaren, enz), de IJomanen
(Franschen, Italianen) en de Kelten in Wales, Ierland en
Schotland. De Kelten bewoonden ook eenmaal ons land, waar zij
in de hunebedden waarschijnlijk sporen van hun verblijf hebben
achtergelaten, doch weken voor de Germanen.
Hoewel de Romeinsche schrijvers ons de namen van een groot