Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
100
groote ojipervlakte, overigens slechts kleine stnkjes. liet Alraeloo-
sche veen is vroeger gedeeltelijk afgegraven door Hollanders en
Friezen, waardoor het lange dorp Friezenvee n ontstond.
De bewoners leven nu grootendeels van landbouw (o a. tuinzaden),
veenderij, enz., doch dreven vroeger een uitgebreiden handel in
tuinzaden en linnen, waarmede zij door Europa reisden, vooral op Rus-
land, waar nog eenige Friezenveensche firma's te Tetersburg bestaan.
Eerst in deze eeuw zijn aangelegd : De O v e r ij s e 1 s c h e
K a n a 1 e n , bestaande uit het Hoofdkanaal van Zwolle
naar A 1 m e 1 o o , gedeeltelijk gevormd door het daarvoor inge-
richte benedengedeelte der Xieuwe Wetering, het Eerste Zij-
k a naai van Dalmsholte naar Deventer, gedeeltelijk gevormd
door het benedeneinde der Schipbeek , en het T w e e d e Z ij k a-
n a a 1 van Daarle naar de Vecht boven Gramsbergen. Dit laatste
doorsnijdt evenals het Hoofdkanaal het Almeloosche veen en daar-
aan ontstond hier in den laatsten tijd het dorp V r o o m s h o o p.
Het Hoofdkanaal staat bij Almeloo in verbinding met het onlangs
voltooide Kanaal naar Nordhorn, dat in het Eems—
Veclitkanaal uitkomt.
Ook in deze streken vindt men bij de dorpen de esschen . in
het Z. W. van Overijsel en de Graafschap e n k e n of i n k e n
iicnaamd (vandaar de vele fiimilienamen op ink in deze streken).
ar ook buiten deze vindt men er hier en daar verspreid veel bouw-
en weiland. Het goede weiland vindt men echter hoofdzakelijk op
de zavelgronden (beekklei) langs de stroompjes.
lu oostelijk Twente , dat door zijn oude leem (zie boven) meer
vruchtbaarheid bezit, drijft men den zoogenaamden T w e n t s c h e n
k 0 r e n b 0 u w , d. i. men verbouwt er rogge met aardappelen en
liier en daar ook tarwe, maar geen boekweit.
Bosschen vindt men hier veel meer dan op het Noordsch
diluvium: in het W. van Salland , bij Delden (prachtig bosch van
Twikkel) en over de geheele 'Graafschap, vooral bij Gorsel, Vor-
den , Ruurloo (bekende schilderachtige punten), enz. Hout, waar-
onder veel e<7cenhout en eiken schors zijn hier voortbrengselen van
belang. Er is hier dus minder woeste grond dan in het noorden.
Middele» van bestaan zijn hier dus landbouw, bosch-
teelt, hout- en s c h o r s h a n d e 1 en o e r d e 1 v e n; langs
den ouden LIsel ook veel klompenmakerij van het weeke hout
langs de oevers. Daarbij komt in T\Aente en het oostelijk deel der