Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
121)
"'s winters in 't geheel niet begaanbaar; gewone wegen voor voer-
tuigen kan men er niet aanleggen.
De onvruchtbare en gevaarlijke hoogvenen vormden dus altijd
scheidsmuren tusschen de bewoners ter weerszijden: van (Taar dat
zij meestal op de grenzen der gewesten liggen (tusschen Drente en
(Jroningen, bij de samenkomst van Drente, Gron. en Friesl.,
tusschen N.-Iïrab. en Limbuig'. lioertange en Koevorden
waren vroeger vestingen , omdat zij den toegarg tusschen twee
daar elkaar naderende hoogvenen afsloten.
AVij weten dat men van hoogveen de lange of losse turf steekt.
Eerst omstreeks I6C0 is men begonnen cfe onschat-
bare hoeveelheid brandstof die de hoogvenen bevat«
ten aan te spreken.
Men begon toen voor en na die venen „aan de snede te
brengen," de afgestoken turf in groote hoeveelheden naar el-
ders te vervoeren en eindelijk den onderliggenden zandgrond, ver-
mengd met wat overgebleven veen, den zoogenaamden d a 1 g r o n d,
te bebouwen , waarvoor mest van elders wordt aangevoerd. D. i.
men ging de hoogvenen ontginnen en stichtte veenkoloniën*
Dit geschiedt in 't algemeen als volgt: Een of meer onderne-
mende mannen (compagnons) koopen venen. Daar aanleg van
wegen onmogelijk is, wordt er een hoofdkanaal gegraven in
verbinding met een of andere bestaande vaart, Avaarlangs de arbei-
ders zich in schamele woningen komen vestigen; de turf wordt
afgegraven en per schip weggevoerd; komt men op eenigen afstand
van het hoofdkanaal, dan worden zij kanalen of wijken ge-
maakt. Er komen winkeliers, enz.; door het verdiende geld worden
de huisjes verbeterd; er komt een scliool en een kerk. Er komen
werven , smederijen, enz. voor de scheepvaart. Waar het veen is-
weggegraven begint men aardappels te verbouwen., later ook
rogge, haver, enz. De mest die hiervoor noodig is brengen de turf-
schippers als terugvracht uit de groote steden mede. Het hoofd-
middel van bestaan wordt nn de landbouw.
De hoofdkanalen verbinden gewoonlijk de hoogere veenstreken
met lagere deelen des lands; zij kunnen dus niet over hunne ge-
heele lengte één waterspiegel hebben. Waarom niet ?
Daarom worden zij in panden verdeeld door schutsluizen^
d. z. sluizen die zoo ingericht zijn, dat men daardoor vaartuigen
van een hooger op een lager pand kan breniren en omgekeerd.