Boekgegevens
Titel: Aardrijkskunde van Nederland
Deel: 3e leerboekje Aardrijkskunde van Nederland voor H.B.S., Gymnasia, enz
Auteur: Beekman, A.A.
Uitgave: Zutphen: W.J. Thieme & Cie, 1891
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1253
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205686
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Aardrijkskunde van Nederland
Vorige scan Volgende scanScanned page
ren in Groningen, met cielioreiteelt en fabrielcen, heeft liont en
buitens op den Hondsrug.
Tot liet Kelderdiep: Fries (veemarkten); tot het Petzerdiep:
Norg met groote paardenmarkten evenals 11 o d e n.
Tot de stroompjes die bij Koevorden samenkomen : I^j m m e n
(veemarkten). zeer opgekomen door veenontginningen (bl. 94) j
Dalen (varkensmarkten) en Koevorden (vorde=ifoort=\vaad-
bare plaats), bovendien aan vier kanalen gelegen , die gegraven
zijn voor den turfafvoer (bl 94), met scheepvaart en markten.
Aan de Wold-A (Ruiner-A): K u i n e n (veemarkten); aan den
Beilerstroom : lï e i l e n , een groot dorp met belangrijke veemark-
ten en een kanaal, de B e i 1 e r v a a r t, naar de Drentsche Hoofd-
vaart.
Aan de Sleenwijker A : S t e e n w ij k , dat door de aangrenzende
lage veenstreek vee- en botermarkten cn leerlooierij heeft.
Tusschen Linde en Tjonger : ^V o 1 v e g a , fraai gelegen (groot
dorp (botermarkten).
Aan het Berg urne nneer \ Bergnm, groot dorp met boomkwee-
kerij en warmoezerij , stoomtram naar Dokkum.
In het Weslerhaartier: de Leek, a h Hoofddiep met scheep-
vaart uit de venen, handel en markten.
Het hoogveen en de hoogveenkoloniën.
Uit de beschrijving volgt dus, dat dit N. gedeelte van de hooge
zandige helft des lands slechts zeer dun bewoond kan zijn : immers
waarvan zoude eene groote bevolking bestaan?
Toch zouden er nog minder menschen wonen en zoude er min-
der welvaart ziju , als er niet de groote hoogvenen gelegen
hadden of nog liggen , die wij op de kaart vinden: door deze
neemt de bevolking dezer streken nu zelfs sterker toe dan die
van andere in ons land.
Zoolang de menschen de hoogvenen onaangeroerd lieten, waren
deze geheel waardeloos. Als men de bovenkorst van deze zeer veel
water opslurpende stof wat droogmaakt door ze wat los te hakken
en met greppels te doorsnijden en het losse veen dan het volgend
jaar in brand steekt — wat ons de afschuwelijke v e e n r o o k ot'
h e i d a m p bezorgt — bemest de daardoor ontstane asch de on-
derliggende laag en hierop kan men dan v^öïiboekweit zaaien. Dit
doet men sedert het begin dezer eeuw, maar overigens brengt het
hoogveen niets voort. Hun oppervlak is 's zomers moeilijk,