Boekgegevens
Titel: Veelkleurige bloemen: leesboek voor de middelklassen der lagere school
Deel: No. 1
Auteur: Bosman, J.M.H.
Uitgave: Tiel: D. Mijs, 1916
23e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2037
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205650
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Veelkleurige bloemen: leesboek voor de middelklassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
45
Daar trad de twaalfde toovergodin nader; zij alleen had
nog een wensch uit te spreken. Ze kon echter den boozen
wensch van de vorige niet vernietigen, maar wel verzachten.
Ze sprak dus: »De Prinses zal niet dood zijn, maar honderd
jaar rustig slapen."
Zoodra de feestgenooten vertrokken waren, gaf de koning
bevel, dat alle spinnewielen in zijn geheele rijk verbrand
moesten worden. Dit gebeurde, en nu waren de ouders
gerust. Ze verheugden zich in het bezit van hun kind, dat,
naar den wensch der feeën, als een verstandig, gehoorzaam
en allerliefst meisje opgroeide. Zoo werd ze vijftien jaar.
Omtrent dien tijd gingen de Koning en de Koningin eens
uit rijden, en de Prinses bleef alleen thuis. Nog nooit
had zij het geheele paleis bezichtigd, en ze maakte nu
van deze gelegenheid gebruik, eens overal rond te kijken.
Eindelijk kwam ze ook in een afgelegen toren. Daar zag
ze een kamertje met een sleutel in de deur. Ze draaide het
slot om, trad binnen en vond daar een oude vrouw, die
ijverig zat te spinnen. — Dat was de dertiende toovergodin.
»Zoo, Moedertje," sprak de Prinses, »wat doe-je daar?"
»Ik spin," was het antwoord.
»Hé, wat draait dat ding aardig rond," zei het lieve
meisje en raakte met de hand aan het spinnewiel.
Daar werd op eens de booze wensch vervuld: het kind
wondde zich aan de hand, zakte ineen en viel in een
diepen slaap. En de Koning en de Koningin, die juist
thuis gekomen waren, sliepen ook in met al de hovelingen
en al de bedienden. Ook de paarden in den stal, de honden
in het hok, de vogels in de kooi, de vliegen aan den muur,
alles, alles, wat leven had, geraakte in diepen slaap.
De tuin werd nu niet meer bebouwd en het plein voor
het paleis niet meer gewied, zoodat alles binnen korten
tijd vol doornen en distels stond. De distels werden grooter
en grooter; ze staken zelfs boven het dak uit, en de doornen.