Boekgegevens
Titel: Veelkleurige bloemen: leesboek voor de middelklassen der lagere school
Deel: No. 1
Auteur: Bosman, J.M.H.
Uitgave: Tiel: D. Mijs, 1916
23e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 2037
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205650
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Veelkleurige bloemen: leesboek voor de middelklassen der lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
alle huisgenooten, maar vooral voor zijn redder, dien hij
altijd mocht vergezellen op zijn dagelijksche wandelingen.
Op zekeren dag ging de Commissaris niet wandelen; hij
was niet wel. Den volgenden dag gevoelde hij zich nog
minder goed, en hield het bed. Van dag tot dag nam de
ziekte toe en werd zeer gevaarlijk. Alle huisgenooten waren
treurig en Karo eveneens. Hij at weinig of in 't geheel
niet. Hij lag den geheelen dag voor de deur der zieken-
kamer; elk, die er uit of in ging, keek hij droevig aan,
alsof hij vragen wilde : »Hoe is het daarbinnen?" Als de
deur der kamer openstond, stak hij schuchter den kop
vooruit en keek angstig naar het bed. En wanneer zijn
meester hem bemerkte en riep: »Kom maar, Karo; kom
nog maar eens hier!" dan trad hij zachtjes nader, al wist
hij, dat drukte zijn meester hinderde. Dan legde hij voor-
zichtig zijn voorpooten op den rand van het bed, en likte
de magere hand van zijn goeden redder.
De redder stierf aan deze ziekte. Nu scheen Karo ontroost-
baar; hij weigerde alle voedsel, en jankte net zoo lang,
tot hij in de sterfkamer werd binnengelaten, waar hij
onder de doodkist ging liggen. Toen het lijk naar het graf
gedragen werd, was het dier radeloos. Men moest hem
vastbinden en in de schuur opsluiten. Als eenmaal het
lijk weg was, zou het wel slijten met Karo, meende men.
Op den avond van den begrafenisdag ging een der huis-
genooten naar de schuur, om eens naar den hond te zien.
Karo was er niet meer; hij had het touw doorgebeten.
Men zocht overal, maar het beest was nergens te vinden.
Den volgenden dag kwam de doodgraver zeggen, dat
er een zwarte poedel dood lag op het versche graf van
Mijnheer. Het was Karo.