Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in het hoofdrekenen in de lagere school
Auteur: Bok, J.
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1893
Zaandijk: J. Heijnis Tsz
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1825
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205649
Onderwerp: Wiskunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de wiskunde
Trefwoord: Hoofdrekenen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in het hoofdrekenen in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
40
koek, van een' appel enz., waarbij men laat zien, dat een
deel kleiner is dan het geheel en dat, als vier jongens
eenen koek of appel deelen, die jongens elk kleiner stuk
krijgen, dan wanneer twee jongens dien koek of appel
deelen enz., van dat deelen ga men over op het deelen van
een aantal blokjes, centen, vierkantjes, griffels, potlooden,
spelden enz.
Terecht wordt de deeling altijd het laatst onder de hoofd-
bewerkingen genoemd. De moeilijkheid in voorstelling is
hierbij verreweg het grootst! Laat ons daarom hier vooral
steeds van aanschouwing uitgaan en het aanschouwde moet
het kind zich voortdurend zonder de voorwerpen voorstellen.
Indien dit niet gebeurt, zal de leerling maar gaan deelen
door middel van de tafels van vermenigvuldiging alleen en
wordt het machinaal.
Om tweeërlei redenen beginnen we met de verdeelings-
deeling. Wel sluit de verhoudingsdeeling zich aan bij de
aftrekking, maar dit is geen argument voor de prioriteit
van deze deeling. Immers dan sluit de verdeelingsdeeling
aan bij de ook reeds behandelde vermenigvuldiging. Deze
deeling stelt het kind zich beter als deeling voor. Het
deelt een' koek, een' meter touw, een aantal appels onder
zijne kameraden uit, maar s])reekt niet van deeling zijner
centen, als het potlooden van 5 cents koopt. Ten tweede
is de verdeelingsdeeling als aanschouwingsoefening zeer ge-
makkelijk en levendig. Dat kunnen we gemakkelijk inzien,
als we ons twee jongens voor de klasse voorstellen, die
een hoopje centen enz. deelen.
Bij de verdeelingsdeeling nemen we eerst een' zoo klein
mogelijken deeler, terwijl deze bij de verlioudingsdeeling
eerst zoo groot mogelijk moet zijn. Dit beginsel volgt uit