Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in het hoofdrekenen in de lagere school
Auteur: Bok, J.
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1893
Zaandijk: J. Heijnis Tsz
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1825
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205649
Onderwerp: Wiskunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de wiskunde
Trefwoord: Hoofdrekenen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in het hoofdrekenen in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
.32
maar bij alle boofdbevverkingen, zoowel met geheele als
gebroken getallen.
Verder behoeven we voor ons doel met bet aftrekken
nog niet te gaan.
VOORTZETTING VAN DE OPTELLING
(20—50).
a. 27 + 19 = 27 + 20 — J = 47 — 1; 28 +
24 = 30 + 24 — 2.
b. 18 + 28 = 20 1- 30 — 4; 17 + 19 = 20 +
20 — 4.
c. Van b twee manieren.
d. 19 + 26 =: 20 + 25.
Evenals a en b is deze manier gemakkelijk door de leer-
lingen te vinden en aanschouwelijk te maken. Hierna deze
opgaven op drie manieren, namelijk als er velen volgens
d uitgevoerd zijn.
e. Omgekeerd 19 + 26 = 15 -1- 30.
Voorstelletjes als: „Jan heeft 19 en Piet 26 knikkers.
Hoeveel hebben zij samen?" kunnen zeer geschikt als
spreekoefening dienen. Bij eene leiding door den onder-
wijzer kunnen deze vooral zulke doeltrefiende stof bieden
voor 't logisch redeneeren. Men eische evenwel op dezen
trap geene zinnen als: „Wanneer Piet 1 knikker aan Jan
geeft, heeft deze 20 en Piet 25". Maar wel kan men een-
voudige verklaringen vragen in ronde enkelvoudige zinnen.
Zoo kan de kleine redeneering: „Piet moet 1 k. aan Jan