Boekgegevens
Titel: Handleiding bij het onderwijs in het hoofdrekenen in de lagere school
Auteur: Bok, J.
Uitgave: Purmerend: J. Muusses, 1893
Zaandijk: J. Heijnis Tsz
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1825
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205649
Onderwerp: Wiskunde: onderwijs, beroepsuitoefening en organisaties van de wiskunde
Trefwoord: Hoofdrekenen, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding bij het onderwijs in het hoofdrekenen in de lagere school
Vorige scan Volgende scanScanned page
28
van reeds staande en nog bij te plaatsen palen, van wonin-
gen, koeien, pooten en eindelijk ook van eenige malen,
van dagen, weken en later van jaren. Geeft men daarna
onbenoemde getallen, dan nemen natuurlijk de kinderen
eerst de vrijheid, daarvan voor zich benoemde te maken,
om na veel oefening te werken met de onbenoemde zelf.
We merken hierbij op, dat de voorstelling al gaande weg
moeilijker wordt. Nu is het niet strikt noodig, dat de
onderwijzer bij elk stel vraagstukjes zóó geleidelijk de moei-
elijkheid in voorstelling verhoogt, maar hij geve toch zoo
nu en dan zoo'n geregeld stel en springe er nimmer zoo
raar mee om, dat hij eerst een vraagstukje over dagen en
daarna over. appels geeft.
Na het hoofdrekenen met 30 + 7, 40 en 2 + 3 enz.,
ook 20 + 30, 10 30 enz., komt het volgende geval
aan de orde: 32 + 4.
In het vervolg geven we als hier veelal eene type aan
(hier 32 -+- 4). De onderwijzer late in voorstelletjes (na
aanschouwing en voorstelling zonder de voorwerpen) zooveel
van dat soort berekenen, als hij noodig en voldoende acht
(24 + 5; 36 -f 3; 42 + 5; 7 -1- 21; 1 + 36 enz.)
Hier volgt een stel vraagstukjes, zooals we gaarne voor
elke rubriek ten naastenbij opgegeven zagen:
1. Op een bord zijn 32 vierkantjes gehecht (hoe ?) Een
jongen hecht er nog 3 bij. Hoeveel vierk. zijn er op dat
bord?
2. Op een schoolbank lagen 43 blokjes (4 balkjes en
3 blokjes van 1 cM.^) Er werden nog 5 blokjes bijgelegd.
Hoe moet dat gedaan worden? Hoeveel blokjes lagen er
toen ?
3. Jan heeft twee doosjes met centen. In het eene