Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
vi voorbericht.
dit mag geene reden ziju om het laatste gering te schatten, Vol-
strekt niet! Het onderwijs in de spraakkunst moet, zoowel formeel
als materieel, in de school hoog staan aangeschreven. Daarom
waakt de onderwijzer vooral bij het taalonderwijs tegen eenzijdig-
heid en tracht het eene doel te bereiken, terwijl hij onafgebroken
naar het andere streeft en het derde geen oogenblik uit het oog
verliest. Ook het kleinere deel eischt hier zorg en inspanning.
Afzonderlijke oefeningen in de zinsontleding vindt men in dit
boeksken niet. Waartoe zouden die ook dienen? Alle zinnen, die
een voorwerp van aanschouwing zijn, worden immers ontleed?
Wat geeft bovendien het Leesboek niet eene rijke stof, en dan de
versjes, die de kinderen opzeggen en zingen; vooral dezulke, die
zij reeds lang in het geheugen geprent hebben, zijn als voor-
beelden van zinsontleding bijzonder aanbevelenswaardig, 't Is waar,
soms zijn de zinnen, die niet zijn samengesteld met het bepaalde
doel om weder ontleed te worden, te moeilijk; maar een ver-
standig onderwijzer slaat eenvoudig over wat niet van zijne gading
is, bewaart voor later, wat de krachten zijner leerlingen te boven
gaat, of tilt hen even op, waar het pad voor hunne zwakke voe-
ten te hobbelig is. Bij de zinsontleding vrees ik niets zoozeer als
eenvormigheid in de oefeningen: sleurvverk, waar de meest opwek-
kende arbeid aan de orde is.
Heb ik te weinig of geene van de oefeningen gegeven, die voor
deze of gene school zoo uitmuntend geschikt zouden zijn, de onder-
wijzer hebbe de goedheid de leemte aan te vullen: oefeningen, die
hij, door de waarneming zijner leerlingen geleiil, zeJf voor hen
opstelt, zijn gewoonlijk de minst geschikte niet.
Ik beveel ten slotte mijne Oefeningen in de belangstelling
mijner ambtgenooten en vrienden aan en houd mij voor aanmer-
kingen dringend aanbevolen!
Leipex, 1897. J. A. Van Dijk.