Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
37
maakt, dat we 's avonds niet om een boodschap {durfde,
durfden) en 's nachts diep onder 't dek {kropen, kroopen).
Misschien zijt ge nog in 't land der levenden en {vertelt,
verteld) ge aan uwe kindskinderen, wat ge ons zoo dik-
wijls hebt {vertelt, verteld), en 't is me, alsof ik de kleinen
{zie, ziet), hoe ze zich, zooals wij ook eens de(e)den, ang-
stig aan uwe knie vas(<)kle(Hi)me(n), 's avonds grootvaders
huis niet {uitdurfen, uitdurven) en 's nachts van vreemde
dingen droom(m)en.
165. Men weet dikwijls niet, welken heerlijken invloed het
gezang op het menschelijk hart {oefent, oefend). {Oefen,
Oefent) u toch in die schoone kunst, mijn beste vriend, en
waardeer(i) het groote voorrecht, dat God u in uwe schoone
stem geschonke(n) heeft.
166. Het rivierpaard is des nachts werkzaam en zoek(<)
zijn voedsel zelden of nooit op een anderen tijd. Het {slijt,
sleit) het grootste deel van den dag in het wa(«)ter. In min-
der bezochte streken ziet men het gewoonlijk op eenzame
plaatsen {leggen, liggen). Ook {vint, vindt) men het soms met
het lichaam half boven water. Een reiziger {verhaald, ver-
haalt), dat hij er eens een schoot terwijl het {lei, lag) te sla-
pen, en riiet den kop op den oever {ruste, rustte).
167. En Abrahams toorn {ontbrandde, ontbrande) tegen
den man, en hij {stondt, stond) op en viel op hem aan en
dreef(«) hem weg in de woestijn. En Abraham sprak: »Dat
de toorn des Heeren niet {ontbrandde, ontbrande) tegen Zij-
nen kuecht. Zie{t), _ik heb gezondig(W, t)-, vergeef(f) mij,
bid(0 ik U."
168. De lezer [rade, raadde) eens, hoe Karei dat wel
gedaan gekr(e)gen heeft, of liever — want èr is alle kans,
dat hij vruchteloos zijne krachten (inspant, inspand), — hij