Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
160. Visschers Jaap (ruste, rustte) op de kruin
"Van een duin.
Op zijn ellebogen.
En hij sloeg(<) zijn oogen op
Naar het sop,
Groote, vroolijke oogen.
Helder zag hij 't zonlich(<) blinke()i),
Helder over zee en zgnd.
Helder op twee kleine pinken,
Die het hielde(H) naar het strand.
NICOLAAS BEETS.
161. Zoo staan wij daar beschaam(d, dt, t), niet waar?
Hoe zulle(») we ons verschoonen?
De lucht is warm, de lente is daar,
Het groen komt zich vertoone(?t). i
Och, lieve Heer, z\e{t) gunstig neer!
Wij kla('t)gen nooit ons dagen meer ;
Wij wi(/)len dankbaar le(e)ven.
Och, Heer, wil(() ons verge(e)ven.
NICOI.AAS JiEETS.
162. Heisa! dat (hamert, hamerd) er lustig op toe.
Smidje, {vertelt, vertel) mij eens. {word, ivordt) gij
niet moe?
Toen wij van morgen {na, naar) school zijn gegaan,
Waart gij reeds lang aan het {klopen, kloppen) en slaan.
J. I'. ItEIJE.
163. Wien God {bewaart, bewaard), is wel {bewaard. be-
umarl).
16.4. Ik weet niet, of gij nog leeft, goede en ook booze
man, die ons kinderen dikwijls zoo beangst (hee/t, hebt) ge-