Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
35
alles wit is en elk groen gewas(c/i) het oog verkwik(<), kwam
deze met een bord van zijne pe(e)ren voor den dag. Hij schilde(n)
er eene en gaf die aan zijnen vriend met de woorden: »Daar,
{pi'oef, proeft) eens. Jan!"
Dat was een le(A;)kere, geu(r)rige, verkwi(A^)kelijke hap!
»Waar (heb, hept) gij die peren toch vandaan (gehaald,
(jehaalt)1 Zoo heerlijk heb ik ze van mijn leven nog niet
gege(e)ten."
»Ze zijn van dezelfde, die gij van 't najaar (geproeft,
geproefd) en weggegooi((i, t) (lieht, hept)," was het ant-
woord.
»Welnu, vriendje," (zegde, zeide) Jan, »ik moet het (be-
kenne, bekennen), gij zijt slimmer dan ik."
158. Goeden nacht!
Nu uw dagwerk is (volbragt, volbracht),
Beste vader, (vlij, vlei) u neder,
.Slaap(() en rus(<) en sluimer(<) weder
Tot den morgen, die u wacht.
Goeden nacht!
Kindren, stil!
Want, daar vader sla(a)pen wil(0.
Moet gij niet zijn sluimring hindren.
Niet zijn korten slaap vei'miiidren;
Slaak(0 geen zuclit, geen klacht, geen gil.
Kindren, stil!
a. c. van eldik thikme.
159. De boer gebied(() zijn knecht, de knecht gebiedU) de
kat en de kat gebied(<) haren staart.