Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
32
Kleine Willem (iüïs, loist) niet beter.
Daarom dee(c//, t, d) hij zoo verkeer(c/^, d, i):
Want met langs de straat te (spelen, spoelen),
{Hadt, had) hij niets dan kwaad {geleert, (jeleerd),
»Foei, dat ik zoo dwaas zou we(e)zen!"
{Zei, zij) de zoete, brave Jan.
»Immers weet ik, lieve Willem,
Dat die steen 't niet helpe(n) kan.
»En zoo hij al schuld {kan, hon) {liehen, hehhen),
»W^eet gij niet, wat vader {zegt, zegd)1
't Kwaad met kwaad te wi(/)len lo(o)ne(n),
»Is ondeugen(c/, i), ja, is slecht.
»Neen, ik zal voortäan in 't loope(n)
»Liever meer {voorzigtlg, voorzichtig) {zein, zijn),
»En, daar het mijn eigen schuld is,
»Ook niet k]age(n) over pijn."
VROUWE lïILDERDIJK.
150. Het zal mij bijzonder aangenaam we(e)zcn, als gij met
mijn va(a)der eens ernstig over uwe belangen {spraakt, spreekt).
{Wees, iveest) nu niet zoo kinderachtig om te {zwijgen, zwei-
gen), waar spre(fOken (pUgt, plicht) is.
151. Wat is zoo wil(^, d), dat het zich nooit beteuge-
le(n), enkel stille(?i), in geen kooi {opsluiten, opsluitten),
ja nauwelijks aaara(«)ke()i) (laadt, laat)2 Dat het, pas ge-
bore(n), reeds verwoesting in het (ront, rond) (aanrigt,
aanricht), in een ommezien tot een reus aan{imscht, imst),
alles met verslindende gulzigheid {verteerd, verteert) en
zelfs de (harste, hardste) (lichamen, Ugchamen) zoo aan-
tast, dat zij spoorloos {verdnnjnen, verdireinen)? Wat is