Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
30
boot, -waarmede zij het {togljo, tochtje) zoude(n) onderne(e)-
ine(?i). De heeren van de Commissie wa(a)ren ui(t)termate
vriendelijk en hulpvaardig jegens hen, en maakte(n), dat er
aan boord eene gepaste vroolijkheid heerschte(n). Ook was er
voor ge{zorgd, zorgt), dat niemand honger of dorst behoefde(n)
te {leiden, lijden).
146. Bij den hevigen brand, die hier onlangs {woede, woedde),
{werden, werd) den bewoners van het bovenhuis, door eenige
da(p)pere ma(n)nen, een touwladder toegeworpe(n).
147. GEDULD EN (LIJD, LEID)-ZAAMnEID.
Een kleine spin {had, hadt) eens haar net
In 'topen venster opge(sed, zet),
En spon(«) daar altijd vlijtig toe.
En {werdt, loerd) haar arbeid nimmer moe.
Zij had een keurig net gemaak(d, t).
Aan duizend hoekjes vastgehaakt {t, d).
Wanneer het door de kamermaagd
Met eenen streek werd weggevaag(c/).
Gelukkig had(() zij overleg
En school zich in een hoekje weg.
Maar toen de maagd {ivas, had) weggegaan,
{Vong, ving) zij opnieuw haar weefsel aan,
En had(<), met d' eigen nietigheid.
Haar draadjes weer opnieuw {gelijd, geleid).
Wanneer Fidel, de kleine hon(d, t).
Die naar een vlieg te ha(}3)pen ston((i, dt, 1),
Opeens zijn kop door 't weefsel {stak, steekt)
En al de fijne ragjes {brak, breekt).
Ja, schoon zij telkens \\erd{t) gestoor((/, dt, I),
Toch spon(7) zij altoos vlijtig voort.