Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
29
hoeste). De vrouwen zwe((')ge(n) en durfde(n) zich niet ve()')-
roere(n). Het broerken was bezig met zijn vinger in den
inkt te do(o)pe(n) en zijn bloot armken met zwarte ple(A-)-
ken te sti(p)pen. Toen, na eene wijle tijds, de eerste regel
vol groote letters ston(d, t, dt), staakte(?i) het meisje haren
arbeid.
1-42. In ons land (vind, vindt, vint) men een enkelen keer
eene kooi, die van alle kanten door wa(a)ter {omrimjt, om-
ringd) is en een eilandje (vormd, vormdt, vormt). In iedere
eendenkooi is een zeker aantal kooieenden, dat grooter of
kleiner' is, naarmate de kooi meer {begunstigd, begunstigt)
word(<) of in trek is bij de vo(o)gels. Zij zijn deels in de
kooi uitgebroe(J, dt, t), deels buiten de kooi uit het {ei, ij)
gekro(o)pe(n), maar later daar aangeland(t), en gaandev/eg er
meer en meer te huis geraak(<, d).
143. Reeds is de kooiker of kooiman aangesnel((i, t), hij
{schuivt, selinift) de klep weg en, zijne hand er door ste-
ken(d, dt, t), grijpt hij de eend bij den hals, die, zonder eenig
geluid van zich te ge(e)ven, weldra zieltogen(t?, dt, t) in het
gras {Jeit, legt, ligt).
144. Mietje {ims, waren) deze aanmerkingen allesbehalve
naar den zin. Zij {lied, liet) zeer duidelijk hare ontevreden-
heid {bleiken, blijken), maar zij {Imd, hut) de moeite {kennen,
kunnen) spare(n), want het (liolp, hielp) haar hoegenaamd
niets. De juü'rouw {ging, gong) kalm op denzelfden toon voort
en, hoewel zij zich niet onvriendelijk aanstelde(?x), gaf zij hare
afkeuring over het bro(d)delwerk op ernstige en duidelijke
wijze te {kunnen, kennen).
145. De jongens verzamelde(n) zich op het plein voor de
school en begave(n) zich, wel lachende(n) en stoeiende(n),
maar toch knap en ordentelijk naar de rijk versierde stoom-