Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
27
134. Margareta dee{dt, i, d) haar best om haar (nichje,
nichtje) tot andei'e gedachten te brengen; rnaar meenende,
dat Maria hare raadgevingen niet (beviel, bevielen), ein-
digde(n) zij met niet meer over het voorgevallene te spre(e)-
ke(n).
135. Gij, die zooveel goud en zilver en zooveel knappe
kleederen (had, hadt), toen gij bij uwe vorige mevrouw
(diende, diendet), hoe kunt gij er nu zoo haveloos uitzien?
Gij moest u schamen, dat gij u in dien korten tijd zooveel
schade (berokkent, berokkend) (heeft, hebt). Welk eene ver-
andering! In plaats van het keurige kornetje een vuile
nacht(mi/6c^, muts); in plaats van het nette paarse jakje
een gescheurde japon, waarvan de kleur niet meer te (be-
}>alen, bcpmdlen) is, en die hier en daar \ï\si(gespeld, ge-
spelt) zit.
136. Er verliep een dag, er verliepen twee, drie en meer
dagen en toch (melde, meldde) zich geen enkele patiënt bij
den geneesheer aan. Eindelijk verscheen er een, die vreeselijk
(hoeste, hoestte) en (proeste, proestte) en alle verschijnselen van
een erge verkoudheid vertoonde()i).
137. Vastberade(u) en vol hoop begonne(H) wij onze (reis,
rijs), (waden, waadden) in de zwa(a)re sneeuwschoenen over
de met hooge sneeuw bedekte vlakten, k]auterde(n) over
wilde passen, door welke wij ons ternauwernood een weg
bane(n) konde(H), liepe(«) over onafzienbare bevrore(n) moe-
rassen, waar de bulderende noordenwind ons bij iederen voet-
stap omver (dreigde, dreigden) te werpe(n), en tro(A:)ken door
(d'igte, dichte) mastbo(s)schen, waar de wolf huilde(7i) en de
panter op buit loerde(H).
138. De naaste struiken bü(())den ons eene toc(vli(.gl, vlucht),
waaronder wij onze berenhuiden op ho(o)pen van versch