Boekgegevens
Titel: Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Deel: Eerste stukje
Auteur: Dijk, J.A. van
Uitgave: Haarlem: H.J. Otto, 1897
5e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: P.B. 567 : 5e dr. (dl I)
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_205618
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Oefeningen bij het Leerboekje der Nederlandsche spraakkunst voor lagere scholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
26
dere kinderen (kwammen, kwamen) hierop aangelo(o)pen en
de moeder ook.
Pietje kon niet [spreken, spreeken), maar spalkte(n) den
mond {wijd, wijt) open en stak(i) de tong uit. Toen (vloog,
vliegt) er een groote, groene wesp uit zijn mond. Deze {had,
tvas) hem in de tong gesto(o)ken, zoodat zij dik {was, had)
opgezwollen.
131. De lamp {heeft, is) den geheelen avond gewalm(d, t)
en (heeft, is) eindelijk uitgegaan. Het kousje is op, en bijna
al de {oUj, olie) is verbran(c/, t, dt).
132. De kinderen (verheugde, verheugden) zich zeer, dat
moeder op {Sint-Nicolaas, Sint Nicolaas)a.vonA zooveel moois
en le(A;)kers voor hen had(«) mede{gebragt, gebracht).
133. Toen nu allen gege{e)ten hadde(n), ginge(n) zij ter
rust. Vroeg in den morgen wekte de heer zijnen knecht en
gelas(<)te hem de andere le(e)den van het gezelschap op te
klo(p)pen, want hij wilde(n) terstond weer de reis aanvaar((/)-
den. De logementhouder {geleidde, geleide) zelf hem buiten
de stad, (hrach, bracht) hem op den rechten weg en wel-
dra (kwamen, kwammen) zij aan een breed water. Er (lei,
lag) wel een brug over dit water, maar die was uitsluiten((/, t)
voor voetgangers {bestemt, bestemd), en daar hij muilezels en
bagage bij zich (hal, had), moch(i) hij er niet overgaan. Er
stond echter een stok in den grond gesto(y)ken, waaraan een
ivoren hoorn {hing, hong), en wie den veerman hebbe(H)
wilde(n), die aan de overzijde woonde, had(;) slechts op den
hoorn te bla(«)ze(n). Hij nam den hoorn en (blaasde, blies)
zoo hard, dat men het aan de overzijde duidelijk (/(ooren,/(oofi-en)
kon. De veerlieden kwamen over, {laden, laadden) hunne
sche((')pen vol en {voeren, voerden) de nieiischen, ezels en
goederen naar den overkant.